Vanaf 2027 hoort digitale geletterdheid bij de wettelijke opdracht van basisscholen en de onderbouw van het voortgezet onderwijs. In veel klassen werken leerlingen al dagelijks op een laptop of tablet. Dat is een goed begin, maar de kerndoelen vragen meer: leerlingen leren ook hoe die laptop, het internet of een chatbot werkt, en wat dat met hen en met anderen doet. Hieronder lees je wat de nieuwe kerndoelen vragen, met voorbeelden uit het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs.
Een laptop in de klas is niet hetzelfde als digitale geletterdheid
Leerlingen die op een computer rekensommen oefenen, werken aan rekenen. Een groep die op de laptop een presentatie over het zonnestelsel maakt, leert over planeten. In beide gevallen is het apparaat gereedschap. Het wordt pas digitale geletterdheid als leerlingen iets leren over dat gereedschap, of over de digitale wereld waarin ze het gebruiken. Bij de presentatie over het zonnestelsel kan dat de vraag zijn hoe je beoordeelt of een website over Mars te vertrouwen is, en of je zomaar een foto van internet in je presentatie mag zetten.
De nieuwe kerndoelen beschrijven wat leerlingen moeten weten en kunnen met digitale technologie.
Drie domeinen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs
SLO heeft digitale geletterdheid uitgewerkt in drie domeinen. Elk domein bestaat uit één kerndoel met een paar subdoelen. De indeling is in het po en het vo gelijk, alleen de nummers verschillen.
| Domein | Kerndoel po | Kerndoel vo | Waar gaat het over? |
|---|---|---|---|
| Praktische kennis en vaardigheden | 22 | 21 | Digitale technologie, informatie, data en AI begrijpen en gebruiken |
| Ontwerpen en maken | 23 | 22 | Zelf digitale producten maken, ook door te programmeren |
| De gedigitaliseerde wereld | 24 | 23 | Veilig en bewust meedoen online, en zien wat technologie met mensen en samenleving doet |
In het voortgezet onderwijs bouwen de doelen voort op het basisonderwijs. De onderwerpen blijven hetzelfde, maar waar een basisschoolleerling vooral beschrijft en verkent, gaat een leerling in de onderbouw analyseren en afwegen. Voor havo en vwo staan er op een aantal plekken extra doelen.
Domein 1: Praktische kennis en vaardigheden
Dit domein ligt het dichtst bij wat vroeger ICT-vaardigheden heette. Leerlingen leren software gebruiken om te communiceren, samen te werken, te presenteren en beeld en geluid te bewerken. Ze leren bestanden zo te bewaren dat ze die later kunnen terugvinden, en eenvoudige problemen zelf op te lossen. Daarnaast leren ze uit welke onderdelen een digitaal systeem bestaat en hoe het werkt, in termen van invoer, verwerking en uitvoer. Neem de zelfscankassa: de streepjescode is de invoer, de computer zoekt de prijs op en telt alles op, en het bedrag op het scherm is de uitvoer. In het voortgezet onderwijs gaat het ook over hoe apparaten in een netwerk samenwerken en hoe het internet werkt.
Het tweede subdoel binnen dit domein gaat over informatie. Leerlingen leren gericht zoeken en beoordelen wat ze vinden. Ook leren ze zien hoe makers van apps en websites hun aandacht trekken en vasthouden, en waarom het ene zoekresultaat bovenaan staat en het andere op pagina drie.
Het derde en vierde subdoel gaan over data en AI. Basisschoolleerlingen ontdekken dat je uit gegevens informatie kunt halen, en dat de uitkomst afhangt van de gegevens die je gebruikt. Vraag je alleen je eigen groep naar hun favoriete sport, dan weet je nog niet wat de hele school het leukst vindt. Ze leren AI-toepassingen in hun omgeving herkennen en er verantwoord mee omgaan. In het voortgezet onderwijs gaat dat een stap verder. Leerlingen onderzoeken hoe de kwaliteit van data bepaalt wat een AI-systeem doet, en experimenteren zelf met het trainen van een AI-systeem. Ook leren ze het verschil tussen een systeem dat vaste regels volgt en een AI-systeem dat op statistiek draait. Een thermostaat die de verwarming aanzet zodra het kouder is dan 19 graden, volgt een vaste regel. Een vertaalapp voorspelt op basis van miljoenen voorbeeldteksten welke vertaling het waarschijnlijkst klopt.
Praktijkvoorbeelden
Basisonderwijs: Groep 6 zoekt informatie over de wolf in Nederland. De leerkracht zet twee websites naast elkaar: een van een natuurorganisatie en een van schapenhouders. Wie heeft de tekst geschreven, en wat wil die maker dat je ervan vindt?
Voortgezet onderwijs: Een brugklas vraagt een chatbot naar de oorzaken van de Eerste Wereldoorlog en legt het antwoord naast het geschiedenisboek. Waar verschillen ze, en hoe zou dat komen?
Deze voorbeelden zijn bedacht door de redactie. Ze staan niet in de kerndoelen.
Domein 2: Ontwerpen en maken
In dit domein zijn leerlingen makers. Ze maken een filmpje, een podcast, een digitaal prentenboek of een website, en ze beginnen bij de vraag wat ze willen vertellen en aan wie. Ze proberen iets uit, kijken of het werkt en passen het aan. Onderweg lopen ze tegen vragen over auteursrecht en bronvermelding aan: mag dat nummer eigenlijk onder mijn filmpje?
Programmeren heeft een eigen subdoel. In het basisonderwijs experimenteren leerlingen met code, bedenken ze de stappen bij een taak en werken ze met begrippen als herhaling, invoer en uitvoer. In het voortgezet onderwijs komen daar onder meer gebeurtenissen en combinaties van voorwaarden bij. Ook leren leerlingen hun code te documenteren, te testen en bij te stellen.
In dit verband valt vaak de term computational thinking. In de kerndoelen heet dat computationele denkstrategieën. Het komt erop neer dat je een probleem zo in stappen opdeelt dat een computer het kan uitvoeren. Daar kun je jong mee beginnen, ook zonder scherm. Kleuters die hun juf als robot een boterham laten smeren, merken snel dat ‘smeer de pindakaas’ niet genoeg is: welk mes, welke kant, eerst de pot open? Ze schrijven nog geen computerprogramma, maar oefenen wel de manier van denken die daarvoor nodig is.
Praktijkvoorbeelden
Basisonderwijs: Groep 5 laat een poppetje in een blokkenprogramma een vierkant lopen. Als de kinderen vier keer dezelfde blokken onder elkaar hebben gezet, vraagt de leerkracht of het korter kan. Zo ontdekken ze het herhaalblok.
Voortgezet onderwijs: Leerlingen maken bijvoorbeeld voor de brugklassers een uitlegvideo over sterke wachtwoorden. Vooraf spreken ze af dat de video korter dan een minuut is en ook zonder geluid te volgen moet zijn. Na een proefvertoning bij een paar brugklassers passen ze de video aan op basis van de gekregen feedback.
Deze voorbeelden zijn bedacht door de redactie. Ze staan niet in de kerndoelen.
Domein 3: De gedigitaliseerde wereld
Dit domein gaat over situaties die veel leraren vast herkennen: ruzie in de groepsapp, een leerling die moe is omdat de telefoon tot laat aan stond, een foto die zonder toestemming wordt doorgestuurd. Het gaat over veiligheid en privacy, over de keuzes die leerlingen online maken en over wat technologie met henzelf en met anderen doet.
Leerlingen leren risico’s herkennen en hun gegevens beschermen. Ze wegen af wat ze wel en niet delen, van zichzelf en van anderen, en weten wat ze kunnen doen als ze iets vervelends tegenkomen. Ze oefenen met respectvol communiceren en denken na over hoe apps en sociale media hun gedrag, hun gezondheid en hun zelfbeeld beïnvloeden.
Het domein kijkt ook naar de samenleving. Wie kan er meedoen in een digitale wereld en wie niet? Welke kansen en risico’s heeft technologie in je eigen omgeving? Wat betekent al dat dataverkeer voor het milieu? In het voortgezet onderwijs komen daar rechten en plichten rond privacy bij. Leerlingen bekijken technologie dan ook vanuit verschillende perspectieven: ethisch, sociaal, economisch en ecologisch.
Praktijkvoorbeelden
Basisonderwijs: Na een uitje wil de groep een klassenfoto op de schoolwebsite zetten. De leerkracht vraagt wie er op de foto staan, wie hem straks kan zien en of iedereen het goedvindt.
Voortgezet onderwijs: Een docent bespreekt met de klas waarom de meeste apps gratis zijn. Waar verdient het bedrijf dan aan? De leerlingen zoeken uit welke gegevens een app over hen verzamelt, zoals hun locatie, wat ze zoeken en hoe lang ze naar een filmpje kijken, en wat het bedrijf daarmee doet.
Deze voorbeelden zijn bedacht door de redactie. Ze staan niet in de kerndoelen.
Wat ligt vast en wat niet?
De kerndoelen beschrijven wát leerlingen moeten leren. Hóe een school dat organiseert, bepaalt de school zelf. Er staat nergens dat er een apart vak digitale geletterdheid moet komen, of een vaste volgorde van lessen. Je kunt de doelen verdelen over bestaande vakken, er aparte lessen voor inroosteren of die twee combineren.
De voorbeelden op deze pagina zijn dus geen verplichting. SLO heeft bij elk kerndoel ook eigen voorbeelden gemaakt, onder de kop ‘te denken valt aan’. Die zijn bedoeld als hulp en horen evenmin bij de wettelijke opdracht. Je vindt ze op actualisatiekerndoelen.nl.
Wanneer moet het?
Naar verwachting gaan de kerndoelen op 1 augustus 2027 in. Scholen hebben daarna tot augustus 2031 om hun onderwijs erop aan te passen. Vier jaar klinkt ruim, maar een leerlijn die van groep 1 tot de derde klas loopt, bouw je niet in één schooljaar op.
Waar begin je?
Een paar manieren om te beginnen:
- Leg de lessen van de afgelopen weken naast de drie domeinen. Waar gebruikten leerlingen een digitaal middel, en waar leerden ze er ook iets over?
- Kijk wat je methodes al bieden. In taal, wereldoriëntatie en burgerschap, of in het vo bij vakken als Nederlands en maatschappijleer, kunnen al onderdelen zitten over mediawijsheid, informatievaardigheden of programmeren.
- Kies één onderwerp dat nog nergens terugkomt en probeer er een les over uit. Je kunt daarvoor bijvoorbeeld onze lessuggesties voor het basisonderwijs en actuele lessen voor het voortgezet onderwijs gebruiken.
- Zoek je verdieping, dan verwijst de Rijksoverheid naar het Expertisepunt Digitale Geletterdheid, Kennisnet en Onderwijskennis.nl.

