Veel leraren maken met plezier aanvullend lesmateriaal. Een extra poster, doelenkaart of oefenblad: het voelt logisch om dat ook te delen met collega’s. Maar daar schuilt precies het probleem. “De meeste leerkrachten doen het met de beste bedoelingen,” zegt Hans Prins, manager methodeontwikkeling basisonderwijs. “Alleen weten ze vaak niet waar de grens ligt.”
Hij geeft zeven aandachtspunten voor het maken en delen van lesmateriaal.
Aandachtspunt 1 – Je mag iets maken, maar niet zomaar delen
Leerkrachten mogen eigen aanvullend materiaal maken bij een methode. Nemen ze daarin beschermd methodemateriaal over, dan gelden daarvoor auteursrechtelijke voorwaarden. Ook maakt het verschil of het materiaal binnen de klas of school blijft of daarbuiten wordt gedeeld.
“Je moet je best doen om ervoor te zorgen dat wat je maakt binnen de kaders van de school blijft,” benadrukt Prins. “Zodra het op een website, in een Facebookgroep of op een downloadsplatform verschijnt, gaat het mis. Dat kan soms zelfs onbedoeld gebeuren, bijvoorbeeld doordat leerlingen het materiaal delen.”
Aandachtspunt 2 – Stop methodemateriaal niet zomaar in AI-tools
Een relatief nieuwe valkuil is het gebruik van AI bij lesvoorbereiding. Uit de Monitor Digitalisering Onderwijs 2025 blijkt dat een minderheid van de leraren AI inzet bij de lesvoorbereiding. Daarbij kan ook methode-inhoud in een tool worden geplakt.“Dat mag niet,” zegt Prins resoluut. “Het kopiëren van teksten uit een methode en die in een AI-tool plakken, is hetzelfde als een boek onder de kopieermachine leggen. Je verveelvoudigt auteursrechtelijk beschermd materiaal, en dat mag niet.”
Wie AI gebruikt, doet dat daarom het veiligst met volledig eigen teksten, materiaal waarvoor toestemming is gegeven of vrij beschikbaar materiaal.
Aandachtspunt 3 – Teksten en beelden uit een methode zijn beschermd
Zelfgemaakt materiaal kan toch inbreuk maken op auteursrechten van de uitgever, bijvoorbeeld wanneer leerkrachten letterlijk teksten overnemen, beeldmateriaal gebruiken of grote delen van de inhoud kopiëren.“Het auteursrecht op alles wat wij publiceren, is aan ons overgedragen,” legt Prins uit.
“Als je grote stukken van onze content letterlijk overneemt, dan is dat gewoon beschermd.”Ook in de concrete uitwerking van de opbouw, structuur en leerlijn van een methode kunnen beschermde keuzes zitten. Hoe ver die bescherming reikt, is juridisch soms een grijs gebied. Prins adviseert daarom voorzichtig om te gaan met materiaal dat duidelijk herleidbaar is tot het boek, de software of het lesmateriaal van de uitgever.
Aandachtspunt 4 – Auteursrecht en didactische kwaliteit hangen samen
Voor Prins gaat het niet alleen om juridische regels, maar ook om de didactische samenhang van het onderwijs. Een methode is volgens hem geen verzameling losse lessen, maar een doordacht geheel.
“Bijvoorbeeld bij vakken als spelling en rekenen werken we met heel precieze aanpakken,” zegt Prins. “Die zijn getest en bewezen effectief. Goedbedoelde aanvullingen kunnen die didactiek juist verstoren en daarmee de leerresultaten van kinderen beïnvloeden.”
Hij noemt als voorbeeld de methode Staal Spelling: “De spellingsdidactiek in Staal is zeer gestructureerd en als je secuur die bewezen aanpak volgt, leidt dit tot goede resultaten. Aanvullend materiaal, hoe goed bedoeld ook, lijkt misschien helpend, maar daarmee doorbreek je juist de opbouw van de methode.”
Aandachtspunt 5 – Voorkom verwarring over de afzender
Wanneer zelfgemaakt materiaal eruitziet als officieel lesmateriaal, ontstaat er nog een ander probleem: verwarring.
“Aan onze naam hangt een kwaliteitskeurmerk,” zegt Prins. “Als iemand met onze titel, onze uitstraling of onze logo’s materiaal maakt, verwachten scholen dezelfde kwaliteit. Terwijl het inhoudelijk soms helemaal niet aansluit op onze didactische keuzes.”
Dat leidt volgens Prins geregeld tot boze reacties van scholen, verwarring bij leerlingen en uiteindelijk reputatieschade voor de methode. Daarom zijn uitgevers strikt op het gebruik van hun naam, logo’s en vormgeving.
Aandachtspunt 6 – Oorspronkelijk werk van leerlingen is óók beschermd
Ook oorspronkelijk werk van leerlingen kan onder het auteursrecht vallen. “Als een leerling een opstel of werkstuk schrijft, is hij of zij wettelijk de maker,” legt Prins uit. “Het auteursrecht ligt dus bij de leerling.”Binnen de les is dat meestal geen probleem, maar zodra werk online wordt gedeeld of hergebruikt in andere contexten, is toestemming nodig.
Aandachtspunt 7 – Twijfel? Regel het netjes
Heb je een goed idee om een methode te verrijken? Zelf ontwikkeld materiaal voor je eigen klas is doorgaans geen probleem, zolang je geen beschermd methodemateriaal overneemt. Maar zodra je twijfelt over de didactische waarde, het breder wilt inzetten of er misschien zelfs commerciële plannen mee hebt, is het verstandig om contact op te nemen met de rechthebbende.
Prins: “Wij vinden het juist positief als mensen zich melden. Dan beginnen we altijd met: wat goed dat je dit vraagt… En dan kijken we samen wat wél mogelijk is. Soms passen ideeën prachtig, soms leggen we uit waarom iets niet aansluit bij de didactiek.”

