Joost was zo’n leerling die prima op zijn intelligentie kon leunen. En dat deed hij dan ook. Niet om verder te komen, maar vooral om zijn luiheid alle ruimte te geven.
In de les was hij niet vooruit te branden. Buiten de les trouwens ook niet; brutaal, opstandig, lege schriften, benen op tafel en altijd wel ergens een discussie waar niemand beter van werd. Vaak op of net over de grens van het fatsoenlijke. En met ouders die vaker niet, dan wel de telefoon opnamen als ik belde. Hij had bovendien een wat bovengemiddelde interesse in geestverruimende middelen. Niet alleen in het gebruik ervan, maar ook in de distributiekant. Naar verluidt niet eens zonder succes.
Joost slaagde uiteindelijk. Net. Maar toch.
In ons vak kun je eigenlijk geen hekel hebben aan leerlingen. Je kunt gedrag afkeuren, daar duidelijk over zijn, grenzen stellen, mopperen, zuchten en soms even heel diep ademhalen. Maar je ziet ook wat ze op hun bord hebben. En hoe ze daarmee omgaan.
Had ik een zwak voor Joost? Nee, niet bepaald. Maar ik had wel iets van professionele koppigheid. Ik wilde weten of ik hem toch zover kon krijgen dat hij iets uit school zou halen. Ik had nog mazzel met mijn praktijkvak, maar om nou te zeggen dat ik succesvol was: niet bepaald. Het voelde als zaaien, zonder oogsten.
Joost verdween uit beeld en ook uit mijn gedachten. Sommige leerlingen blijven je je leven lang bij. Maar met de aantallen leerlingen die je als docent leert kennen, verdwijnen de meeste gewoon naar de achtergrond.
‘Had ik een zwak voor Joost? Nee, niet bepaald. Maar ik had wel iets van professionele koppigheid.’
Jaren later fietste ik vanaf huis naar school. Een deel van het fietspad was afgezet vanwege straatwerkzaamheden, dus ik moest omrijden.
‘Hee, meneer Weeda!’ klonk het echt hard, ik schrok ervan.
Een beer van een kerel kwam op me aflopen. Ik herkende hem niet meteen.
‘Ja hallo, ik ben het hoor. Joost, kijk niet zo moeilijk.’
Er zat iets licht geïrriteerds in, alsof ik hem daar tekortdeed.
Joost …
Ik voelde de herinnering mijn frontale cortex binnendenderen. Links achterin lokaal 2. Benen op tafel. Lege schriften. Felle discussies. Gele brieven. Het was alsof Netflix ongevraagd een recap had aangezet.
‘Jij hier?’
‘Ik heb een taakstraf, meneer. “Ondersteunende werkzaamheden bij de gemeente”.’ Zei hij met een schuchter glimlachje. Er kwam een verhaal. Softdrugs. Onhandige keuzes. Tegen de lamp gelopen. Niet de eerste aanvaring met justitie, begreep ik. Maar hij had nu een vriendin. En er was een kleintje op komst. Dit was zijn laatste taakstraf, zei hij. Hij ging het goed doen nu.
Ik zei dat hij altijd welkom was op school om eens te komen kletsen. Toen riep zijn voorman dat hij aan het werk moest.
‘De mazzel, meneer!’
Stel je voor: een kerel van twee bij twee, een noeste blik, een baksteen in zijn handen, die tegen zo’n typisch onderwijskereltje als ik zegt: ‘mazzel, meneer.’ Dat blijft toch bijzonder. Je blijft voor ze altijd ‘de meneer’.
‘Dat blijft toch bijzonder. Je blijft voor ze altijd “de meneer”.’
Drie jaar later liep ik, opnieuw tegen wegwerkzaamheden aan. In de verte zag ik hem staan.
‘Joost!’ riep ik. ‘Dat zal toch niet waar zijn, man.’
Hij kwam snel mijn kant op. Met zo’n pas waaraan je ziet dat iemand niet kan wachten om iets te vertellen.
‘Ja, u zal wel denken,’ zei hij. ‘Maar ik heb schoon schip gemaakt. Ze huren mij nu in als zzp’er voor straatwerk. Hartstikke druk joh. Overdag geen tijd voor onzin en ’s avonds te moe om nog gekkigheid uit te halen. Maar ik moet nu gaan, ik spreek u wel weer.’
En weg was hij weer, aan het werk. Goed gedaan, Joost.
Gniffelend fietste ik het laatste stuk naar school. Bij de koffie vertelde ik het aan mijn collega’s.
Soms is ‘een kans krijgen’ niet zo idyllisch als we het graag maken. Soms begint het met een taakstraf, een schop onder je kont, een voorman die je terugroept en iemand die op een dag besluit dat hij te moe wil zijn voor ‘gekkigheid’ die hem in de problemen brengt.
Ook dat is groei. Alleen niet altijd in het tempo of in de vorm die wij op school hadden bedacht. Leuk hè?

Danny Weeda is directeur van een kleine familiaire middelbare school. Hij heeft bijna twintig jaar voor de klas gestaan en staat nog steeds in goed contact met de leerlingen van zijn school. Met zijn frisse kijk op onderwijs stelt hij vaak en graag de vraag: waarom? Dat geeft mooie gesprekken en discussies die soms uitmonden in een artikel of column. ‘De wijze waarop de jeugd zich een weg baant door het leven is een eervol iets om getuige van te zijn en geeft verhalen voor het leven.’
