Ik sta met mijn nieuwe onderwijsassistent (laten we hem meneer Vrolijk noemen, want dat dekt de lading) te ouwehoeren bij de koffie. Niets bijzonders, gewoon even bijkletsen, je oreert wat over onderwijs tegen zo’n beginner, wie weet wat hij meeneemt. Dan klinkt er een klop op de deur. Lenn staat in de deuropening. Lenn is een leerling met een hoofd vol drukte, een karakter vol kleur en een aanwezigheid die je niet kunt missen. In de klas kost dat soms wat extra energie, voor hemzelf en voor de mensen om hem heen, maar hij doet zijn best, en wij doen ons best, en dat is wat we met elkaar hebben afgesproken.
Ik wacht op het gedoe. Maar dat komt niet.
‘Meneer Weeda, u moet meneer Vrolijk echt aannemen volgend jaar. Dat is echt de beste die hier rondloopt.’
Even is het stil. Meneer Vrolijk kijkt al enigszins verlegen in de richting van zijn schoenen. Ik kijk Lenn aan.
‘U moet meneer Vrolijk echt aannemen volgend jaar. Dat is echt de beste die hier rondloopt.’
‘Dat ben ik zeker van plan, Lenn. Maar waarom vind jij dat?’
Een snelle blik van de assistent mijn kant op, die heeft duidelijk al genoeg complimenten gevoeld voor vandaag, maar ik wil het graag horen.
‘Nou gewoon,’ zegt Lenn. ‘Hij snapt ons gewoon. Als we wat vragen, krijgen we letterlijk een antwoord. En hij is een chille gast, duidelijk, en hij wil ons echt helpen als dat nodig is. En o ja, hij is ook nog jong, dus dan snap je ons beter.’
Ik knik. ‘Dus je bedoelt eigenlijk dat ik een goede keuze heb gemaakt door hem volgend jaar hier te houden?’
‘Ja, zeker,’ zegt Lenn, steekt zijn duim omhoog en loopt weg.
Een paar passen verder draait hij om.
‘Ik bedoel trouwens niet dat ik een hekel heb aan de andere collega’s hoor. Die zijn ook wel oké. Op een paar na. Maar ik ben gewoon blij als ik meneer Vrolijk heb.’
Ik kijk hem aan. ‘Ik snap je, Lenn. Fijn dat je dit even teruggeeft.’
En hij is weg.
Ik kijk meneer Vrolijk aan. ‘Zo. Die kan je in je zak steken, collega!’
‘Ik weet ook niet waarom hij zo blij met mij is. Ik doe gewoon mijn ding.’
‘Ja,’ zegt hij, een beetje onwennig. ‘Ik weet ook niet waarom hij zo blij met mij is. Ik doe gewoon mijn ding.’
Ik geef hem mee dat hij dit compliment niet hoeft af te schalen. Geen valse bescheidenheid. Dit mag je opspelden als een medaille. Tegelijk klinkt ergens in mijn achterhoofd de stem van mijn leermeester: ‘je kan nog zo populair zijn Danny, als je ziek bent en de les uitvalt, vinden ze dat altijd beter.’ Een rotopmerking, maar eentje die je bescheiden houdt. Meneer Vrolijk geef ik het niet mee. Laat hem maar even genieten.
Hij fietst straks naar huis met een compliment van een leerling dat hij misschien pas later echt laat landen. Dat gun ik hem. Op dagen dat het minder gaat, ben je dit zo weer kwijt. Daarom moet je het pakken als het langskomt. Je hoeft alleen maar open te staan als ze aankloppen.

Danny Weeda is directeur van een kleine familiaire middelbare school. Hij heeft bijna twintig jaar voor de klas gestaan en staat nog steeds in goed contact met de leerlingen van zijn school. Met zijn frisse kijk op onderwijs stelt hij vaak en graag de vraag: waarom? Dat geeft mooie gesprekken en discussies die soms uitmonden in een artikel of column. ‘De wijze waarop de jeugd zich een weg baant door het leven is een eervol iets om getuige van te zijn en geeft verhalen voor het leven.’
