Obstakels voor leerlingen met dyscalculie of rekenproblemen

0

Voor leerlingen met dyscalculie is elke stap in het rekenen moeilijk. Psycholoog Marisca Milikowski, gespecialiseerd in dyscalculie, zet in Dyscalculie en rekenproblemen de moeilijkheden op een rij die zich verscholen houden in het elementaire rekenen.

Marisca Milikowski werkte op een basisschool en een school voor speciaal basisonderwijs en geeft ook diverse cursussen over dyscalculie.

Als docent kun je veel doen om kinderen te helpen met moeilijkheden rondom dyscalculie. In haar boek beschrijft Milikowski niet alleen de obstakels, maar ook manieren om ermee om te gaan. In dit artikel zetten we drie van de twintig obstakels op een rij die ze in haar boek bespreekt.

Obstakel 4: van elk getal de waarde weten

Wat is groter, 5 of 6? Dat lijkt eenvoudig, maar is het niet. Immers: aan de tekens zelf kun je het niet zien. Niets in de vorm van de 6 verraadt de grootte die daarmee bedoeld wordt. Het is zomaar een vorm. Net als 5. En 9. Een getal is een idee. Een getal ontstaat door drie dingen te verbinden:

  • Een ‘echte’, waarneembare hoeveelheid, die je kunt zien, horen of voelen, bijvoorbeeld , of tik-tik-tik-tik-tik.
  • Het bijbehorende woord, in het Nederlands ‘vijf’.
  • Het bijbehorende cijfer, dat is in vrijwel alle talen ‘5’.

Deze combinatie staat ook bekend als de triple code, ofwel drievoudige code waarmee de hersenen bij het rekenen moeten zien te werken. De drie codes moeten elkaar moeiteloos leren vinden en begrijpen. Als dat lukt, heeft elk cijfer z’n vaste, eigen betekenis gekregen. Als dat niet lukt, ontwikkelt zich dyscalculie.

Wat kun je hieraan doen?

Geregeld oefenen met kleine getallen kan helpen. Het gaat hier dus vooral om de getallen onder de tien – de eencijferige getallen. Doel hiervan is om die getallen goed op hun plek te krijgen. Jij noemt dus een getal en de leerling reageert met het getal eronder of erboven.

Obstakel 10: het tweede tiental

Het tweede tiental is een bekend struikelblok. Dit komt met name door de komst van het tweede cijfer. In het Nederlands is dit namelijk vreemd geregeld: we zeggen vijf-tien en we schrijven één-vijf. De volgorde in het gebied tussen tien en honderd is andersom dan normaal. We werken normaal van links naar rechts: j-a spreken we uit als ja, niet als aj. Maar 18 is acht-tien, niet één-acht. Dit is best lastig voor de beginnende rekenaar.

Daarnaast hebben we in Nederland ook nog die vier ‘speciale’ ongeregelde getalwoorden: elf in plaats van één-tien, twaalf in plaats van twee-tien, dertien in plaats van drie-tien en veertien in plaats van vier-tien. Voor de meeste leerlingen is dit geen probleem. Anderen blijven hier jaren over struikelen als het niet goed en grondig is geoefend. Om dit te oefenen, kun je werken met getalkaarten, waarmee leerlingen getallen kunnen combineren.

Obstakel 18: rekenangst

Zwakke rekenaars moeten om bij te kunnen blijven meer rekenen, niet minder. Alleen: een kind met rekenangst wil niet nadenken over een som. Die roept gauw iets om eraf te zijn, krabbelt een antwoord neer en schuift het blad gauw van zich af. De leerling lijkt te luisteren, maar doet het niet echt. Zo loopt de zaak dus steeds verder uit de hand. Eigenlijk is dit faalangst, maar een algemene faalangstreductietraining maakt geen verschil. Deze angst is namelijk verweven met het rekenen.

Tips om een kind met rekenangst te helpen veilig te leren rekenen:

  • Eén denkstap tegelijk
  • Breng rekenregels en routines bij
  • Neem de leerling bij de hand
  • Sta geregeld stil bij de vooruitgang

Meer lezen over alle twintig obstakels en leren hoe je daar samen met een leerling mee aan de slag kunt? Lees dan het boek Dyscalculie en rekenproblemen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here