Bewegen in de taalles

0

In de lerarenkamer hoor je het veel: kinderen zijn tegenwoordig snel afgeleid, speels en druk. Maar wat als we die behoefte aan bewegen niet positief inzetten? Bijvoorbeeld om de taalles extra effectief te maken? Vervang zitten en luisteren eens door actie en beweging. Het verhoogt de aandacht en betrokkenheid en bovendien worden de lessen er beter van.

Dit artikel is afkomstig uit het Praxisbulletin van september 2016 en is geschreven door Henk & Monique Hansma. Praxisbulletin is een praktisch, onafhankelijk vakblad voor basis- en speciaal onderwijs en verschijnt 10 keer per jaar. Elke maand delen we een speciaal geselecteerd artikel uit een eerder verschenen nummer! Meer weten? Kijk op praxisbulletin.nl.

Dit artikel beschrijft waarom beweging in de taalles belangrijk is. Bewegen, klank, ritme en melodie zijn primair in de taalontwikkeling. Bij het leggen van die basis hoort actie met je hele lijf. Bovendien worden de leerlingen actiever betrokken bij de taalles als ze bewegen. Tot slot levert het ook meer variatie in werkvormen op. In dit artikel geven we actieve praktijkvoorbeelden waarbij taal een grote rol speelt.

Taal in beweging

Bij versjes en gedichten staan klank, ritme en melodie vaak op de voorgrond. De beeldende taal in poëzie voor kinderen biedt volop kansen voor taalspel, fantasie, herhalingen, interactie en uit het hoofd leren. Dat kan bijvoorbeeld in de vorm van klappen, zingen en rappen, uitbeelden met je stem en je lijf.

Werkvormen in actie

Beweging zou onderdeel moeten zijn van didactische werkvormen. Niet alleen omdat het leuk is voor de afwisseling, maar ook omdat kinderen leren met hun hele lichaam. Ze komen beter tot hun recht als ze actief zijn. Hieronder volgen drie voorbeelden uit het vormingsgebied taal.

1. Ordenen

In deze woordenschatlessen voor verschillende leeftijden leren kinderen voorwerpen benoemen en ordenen in categorieën die ze zelf bedenken. Ze doen dat met voorwerpen die voorhanden zijn in hoepels op de vloer. In de onderbouw kun je kinderen hun schoenen laten ordenen. De kinderen doen een schoen uit, leggen deze op de vloer en gaan er in een kring omheen staan. Ze verdelen vervolgens de schoenen in groepen; per hoepel een groep. Daarna benoemen ze de hoepels: ‘met een rits’, ‘met klittenband’, enzovoort.

In de bovenbouw kunnen leerlingen kantoorartikelen uit de klas ordenen. Denk aan een paperclip, balpen, archiefdoos, opbergpotje, pennenbakje, enzovoort. De artikelen komen samen in de hoepels: ‘om te schrijven’, ‘om te tekenen’, ‘om op te bergen’, enzovoort.

2. Discussiëren en argumenteren (groep 5-8)

De discussieleider (de eerste keer de leerkracht, een volgende keer een kind) geeft achtergrondinformatie bij een nieuwsbericht, de anderen stellen verduidelijkingsvragen. De leider poneert een stelling. De anderen nemen plaats binnen ronde cirkels van touw in stoplichtkleuren: rood (oneens), oranje (weet nog niet) en groen (eens). De discussieleider staat op een kist (voor het overzicht) en leidt de discussie. De opdracht aan kinderen binnen rood en groen is om kinderen in oranje te overtuigen met argumenten. Kinderen binnen alle cirkels mogen hun mening wijzigen en van kleur wisselen.

3. Tweedetaalverwerving

Total Physical Response (TPR) is een didactische aanpak voor het leren van een vreemde taal, waarbij woorden en zinnen worden geleerd met veel actie en concrete voorwerpen. De leerkracht legt niet uit, maar doet voor. Alle kinderen doen mee en praten mee. ‘Dit is mijn jas. Ik trek mijn jas aan.’ Vervolgens doen alle kinderen hetzelfde met hun jas en zeggen in koor: ‘Ik trek mijn jas aan.’ Kinderen zitten en staan op, onder en naast hun tafeltje en leren zo de ruimtelijke begrippen, elkaar begroeten en boodschappen doen.

Meer lezen? Download nu het complete artikel uit Praxisbulletin. Hoe zorg jij voor beweging in je taallessen? Laat een reactie achter via onderstaand reactieformulier.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here