Zomerreeks motivatie: overtuigingen

0

Leerlingen komen in het onderwijs voortdurend taken tegen. Daar draait het in het onderwijs om. Bij elke taak maakt de leerling een inschatting: vind ik deze taak moeilijk of gemakkelijk? Hoe moet ik hierop reageren? Overtuigingen spelen een belangrijke rol in dit proces en daarmee in het onderwijs. Dit kan heel ver gaan: waarom denken veel meisjes dat ze niet goed in wiskunde zijn? En hoe zit het met overtuigingen van docenten? Hebben die invloed op leerlingen?

In de vorige aflevering van deze reeks lazen we dat overtuigingen een rol spelen bij het beoordelen van taken. In het model van de fasen van motivatie zien we dat we in de eerste fase van een emotie kijken naar het emotionele belang van de taak of gebeurtenis (“Is de gebeurtenis betekenisvol?”). Dit is de primaire evaluatie. In de secundaire evaluatie wordt de context van taak of gebeurtenis bekeken. Bij deze evaluatie spelen overtuigingen een cruciale rol. Hier wordt namelijk bepaald of de emotie positief is of negatief. Heb ik voldoende draagkracht voor de draaglast? Of eenvoudig gezegd: kan ik de taak wel of niet aan? Pak ik de taak aan of ga ik voor vermijdingsgedrag? Neem ik de grijze route (taak aanpakken) of de rode route (taak en daarmee stress vermijden) (zie model in bijlage). Een individu beoordeelt zijn draagkracht vanuit zijn eigen perspectief. De secundaire evaluatie is daarom vooral subjectief. Hoe iemand zijn eigen mogelijkheden beoordeelt hangt voor een belangrijk deel af van zijn eigen overtuigingen. Dat brengt ons weer terug bij het voorbeeld van meisjes en wiskunde. De overtuiging dat meisjes niet goed zouden zijn in wiskunde is iets dat van generatie op generatie is doorgegeven. Dat feit op zich is wellicht ook de verklaring voor deze overtuiging. Het maakt niet uit of een overtuiging terecht of onterecht is, de overtuiging heeft wel degelijk invloed op het proces van het beoordelen van een taak en de bijbehorende emoties. Overtuigingen beïnvloeden menselijke waarneming, interpretatie en gedrag. Daarom zijn ze een bron van motivatie maar ook van demotivatie. Het zal geen verrassing zijn dat een negatieve overtuiging nadelig werkt op het beoordelen van de taak: de taak wordt door de overtuiging te zwaar ingeschat en de leerling is niet gemotiveerd voor het uitvoeren van de taak.  Niet alleen leerlingen hebben overtuigingen, ook docenten. En ook deze overtuigingen kunnen een grote invloed op de motivatie van leerlingen hebben. Onderzoek van prof. Stevens van de Universiteit Utrecht heeft aangetoond dat de resultaten van leerlingen het gevolg zijn van de verwachtingen van leraren. Leraren die als grondhouding hebben dat zij de mogelijkheden van hun leerlingen positief beoordelen halen hogere resultaten met hun leerlingen dan leraren die negatief naar hun leerlingen kijken.

Het zal geen verrassing zijn welke leerlingen meer kans op succes hebben, klas 2A of H3A:. “Met 2A is werkelijk niets te beginnen. Ze hebben geen enkele interesse. Ik snap het toelatingsbeleid van de directie niet”. “Heb jij dit jaar klas H3A? Ik had die klas vorig jaar. Daar ging ik werkelijk met plezier naar toe. Goede leerlingen, veel interesse en ze werken hard. Van deze klas zul je veel plezier hebben.”

 Als afsluiting een kort lijstje van docentenkenmerken die tot een positief en een negatief motivationeel patroon leiden.Docenten die hun leerlingen positief motiveren: houden niet alleen van hun vak maar ook van hun leerlingen; zijn eerlijk en hebben een open houding; laten leerlingen niet vallen.Docenten die hun leerlingen negatief motiveren: evalueren de leerlingen ten overstaan van de groep;  belonen capaciteiten in plaats van inspanningen; spreken lage verwachtingen uit; laten sommige leerlingen links liggen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here