Zomerreeks motivatie: emoties

7

U kunt het zich vast nog herinneren van vroeger en u ziet het terug bij uw leerlingen: leren op school kan allerlei verschillende emoties oproepen, zoals boosheid, vreugde, gelatenheid, verontwaardiging, triomf en angst. Motivatie ligt dus heel dicht bij emoties en daarmee heel dicht bij het wezen van de mens. Zonder emoties zouden we waarschijnlijk niet willen en kunnen leren. Emoties kunnen positief werken op het leren, maar negatieve emoties (zoals angst) kunnen het ook verpesten voor een leerling.

Bij het woord “emotie” maken we ons allemaal voorstellingen. We hebben al gezien dat emoties zijn ingebed in een krachtig en oud systeem: het limbische systeem, ook wel het zoogdierenbrein genoemd. Dit systeem is zo krachtig dat het bezit kan nemen van ons hele denken en handelen. Onderzoeker Goleman noemt dit verschijnsel  emotionele piraterij” (zie ook het filmpje). Ons brein geeft altijd voorrang aan emoties. Dit bepaalt de keuze tussen vechten en vluchten. Dit speelt ook in het onderwijs een rol. Professor Boekaerts, hoogleraar onderwijspsychologie aan de Universiteit van Leiden, zegt dan ook: “emoties zijn de brandstof van het leren”.

Het is zinvol om te kijken naar emoties en hun rol in het leerproces. Een emotie is een activering van ons autonome zenuwstelsel veroorzaakt door onze interpretatie van de wereld om ons heen. Een emotie veroorzaakt een verandering in actie-bereidheid. Met andere woorden: emoties fungeren als versterkers. Zij zijn zelfs in staat bezit te nemen van een persoon. Denk bijvoorbeeld aan de paniek die kan ontstaan bij een moeilijke toets.

Emoties zijn dus een fysieke reactie op een positieve of negatieve verandering in onze omgeving. Wat gebeurt er in het lichaam van een leerling die stress heeft als gevolg van een toets? De bijnieren scheiden het hormoon cortisol af. Dit veroorzaakt een reeks fysieke reacties waaronder onderdrukking van het immuunsysteem, het spannen van de spieren, verdikking van het bloed en verhoging van de bloeddruk. Kortom: de perfecte reactie op een bedreiging van een leeuw of tijger. Deze reactie is ontstaan tijdens onze evolutie. Vele generaties geleden waren dit uitstekende aanpassingen in de confrontatie met wilde dieren. Grote kans dat de reactie gepaard ging met een eveneens felle reactie van het lichaam dat zich tegen de bedreiging te weer moest stellen.

In ons huidige leven is deze reactie vaker een probleem dan een oplossing. We reageren nog steeds als onze vroege voorvaders. Maar omdat er geen lichamelijke activiteiten (zoals hard wegrennen voor een leeuw) op volgen, vindt de hormonale verandering geen uitweg en veroorzaakt veelvuldige stress en gezondheidsproblemen.

Ook in het onderwijs komen stressvolle situatie voor, waarbij de leerling moet kiezen tussen vluchten of vechten. In het volgende artikel in deze reeks gaan we hier dieper op in, met aansprekende voorbeelden en handige modellen.

7 REACTIES

  1. Misschien is het nog zinvol om te veronderstellen dat emoties nog een andere dimensie hebben.
    Hetgene wat ik wil aanhalen ligt meer tegen het biologische bewustzijn zelf aan, maar is ook een resultaat van conditionering.
    Als we kijken naar zelfs de meest primitieve organismen, zien we dat gedrag steeds is afgestemd op de evaluatie van het individu in zijn omgeving.
    Dit is een onbewust en continu proces dat het doel heeft om het ‘zelf’ te beschermen.
    Deze actieve vorm van bewustzijn vinden we ook terug bij mensen, en is in feite afkomstig van onze verste voorouder, de eencellige.
    Ook wij evalueren voortdurend onze situatie onbewust, en met het doorleven van nieuwe situaties evolueert onze gedachtenwereld met nieuwe inzichten; we worden steeds beter in staat om situaties te evalueren bij verdere iteraties van evolutie (wat in biologisch opzicht een betere bescherming van het individu inhoudt).
    Aangezien deze evaluatie onbewust plaatsvindt, is er sprake van een onbewuste emotionele gesteldheid die er aan ten grondslag ligt.
    Evaluatie kan gewoonlijk op rationele gronden gebeuren, maar in het geval van ‘primitief zelfbehoud’ als grondvorm worden er voortdurend onbewuste inschattingen gemaakt waarbij emotie of gevoel een grote rol speelt.
    Continu evalueren wij onze situatie met onze ervaringsachtergrond, en door nieuwe kennis breiden we deze achtergrond uit, of wijzigen deze.
    Waar ik naar toe wil, is het punt van de mate waarin iemand actief is in dit onbewuste continue proces.
    Hoe scherp is iemand in dat opzicht?
    Indien een individu in een omgeving opgegroeid is, waarbij geen nadruk gelegd is op het belang van een goedlopende ‘kennisevolutie’ (ten behoeve van een betere evaluatie van nieuwe ‘kennissituaties’), dan zal de mate van kennisopname relatief laag blijven.
    Indien een individu echter veel stimuli heeft ondervonden om aandacht te besteden aan dit circulaire proces van evaluatie en evolutie (en vice versa), dan zal dit zich vertalen in een emotionele gesteldheid die ‘waakzaam’ en ‘bewust’ te noemen is (en die zichzelf ook steeds kan versterken doordat het de potentie heeft om vicieus te worden).
    Ik doel hier niet op een emotionele gesteldheid die tekenend is voor een gemoedstoestand die zich manifesteert, maar een onderliggende waakzame toestand die zich openstelt voor nieuwe informatie.
    Zoals ik al eerder noemde, dit kan voor de meest primitieve belangen gelden, zoals zelfbehoud in de omgeving van een individu, maar het geldt ook voor hogere cognitieve functies.
    In de wereld van de mens worden deze functies namelijk gebruikt voor het ‘maatschappelijk overleven’.
    Het lijkt me dus plausibel om hetzelfde mechanisme toe te passen voor kennisopname van elk soort, lager en hoger.
    Is het misschien raadzaam, dat er, naast het stimuleren van bewuste motivatie, ook aandacht besteed mag worden aan het stimuleren van de alertheid (de vatbaarheid voor kennisopname) zoals ik hierboven beschreven heb?

  2. Merlijn – Een interessante bijdrage of moet ik het de status geven van artikel? In ieder geval nodigt het uit tot nadenken. En zoals je zegt, nadenken leidt tot evolutie van onze cognitieve vermogens. Ook op intuìtief niveau geldt dat openstaan voor signalen uit onze omgeving kan leiden tot vegroting van onze vaak impliciete vermogens. Interessant is dan ook, dat je deze evolutie langs twee lijnen laat verlopen en wel via het bewuste en via het onbewuste. Terecht zeg je dat er onbewuste krachten in ons zijn die voortdurend onze omgeving scannen. Dit is een overlevingsmechanisme die in onze evolutie is ontstaan. Wezens of zelfs soorten die niet in staat zijn hun omgeving te scannen zijn gedoemd te verdwijnen. Ik denk dat ik adekwaat reageer als ik wijs op een onderzoek van Gerber, Ginsberg & Reiff (1992). Deze deden onderzoek naar falen en succes van mensen en kwamen tot enkele belangwekkende bevindingen.
    Succesvolle mensen waren in staat hun doelstellingen te visualiseren en creëerden een interne projectie van zichzelf op weg naar hun doel. Mensen bleken zeer succesvol te zijn wanneer zij bovendien in staat bleken evaluatie en reflectie toe te passen op hun eigen handelen op weg naar het beoogde doel. Evaluatie betekent terugkijken. Bij reflectie stel je jezelf de vraag wat deze nieuwe inzichten betekenen voor je toekomstig handelen.
    Mensen daarentegen die geen doelstellingen hadden bleken te falen net als mensen die niet evalueerden. Zij evolueerden dus niet.
    Als het gaat om cognitieve functies zullen wij onze omgeving op bewust niveau verkennen. We evalueren en reflecteren en passen onze kennis aan nieuwe inzichten aan. Op onbewust niveau doen wij dat ook. Als voorbeeld wil ik dichters, schilders en andere kunstenaars noemen. Deze vangen signalen op vanuit hun omgeving en weten die te visualiseren in een gedicht, een roman, een schilderij. Zij hebben geleerd van hun onbewuste innerlijke ervaringen en zijn zelfs in staat deze voor ons, gewone mensen, in beeld te brengen.

  3. Hartelijk dank voor uw belangstellende reactie.
    Hoewel ik de studie van Gerber, Ginsberg en Reiff niet ken, en ook niet heb kunnen vinden op internet (nog niet…), heb ik wel enige passages gelezen van Gerber en/of Reiff.
    Wel ben ik zeer benieuwd wat er zoal gezegd wordt in het onderzoek.
    Jazeker ben ik het met u eens dat nadenken leidt tot evolutie van onze cognitieve vermogens. Dat is althans het bewuste deel.
    In mijn optiek moet er echter ook een onbewust deel zijn dat deze evolutie tot stand brengt en dat verantwoordelijk is voor de vorm van onze ervaringsachtergrond.
    De nadruk daarbij is niet meer dat we nadenken, maar hoe we nadenken; preciezer gezegd, hoe we de via onze zintuigen inkomende gegevens betekenis of vorm geven zodat informatie verkregen wordt.
    Ieder organisme, hoe klein dan ook, neemt de natuurlijke biotoop waar met een bepaald set aan sensoren, en reageert op die biotoop om te overleven.
    DNA kan wijzigingen in de biotoop, en de daaruit voortvloeiende ‘kennis’ opslaan in een referentiekader middels omschakelingen in de genen – denk aan virussen die resistent worden.
    De mens gebruikt zijn sensoren (zintuigen) echter ook voor een veel groter scala aan begrippen dan de natuurlijke biotoop, tot aan het spirituele aan toe zelfs.
    En de mens is het enige organisme dat de natuurlijke biotoop veelal ondergeschikt maakt aan andere begrippen.
    Wat ik durf te beweren is dat de totstandkoming van ons begrip (ons referentiekader of ervaringsachtergrond) niet alleen voortdurend aan verandering onderhevig is door bewuste cognitie, maar dat het vooral gekleurd wordt door een onbewuste cognitie die meer abstractie is dan vorm; door een onbewuste instelling of manier van kijken naar de wereld.
    En juist die manier van kijken bepaalt in mijn optiek grotendeels de manier waarop ons referentiekader vorm krijgt, en ook hoe toekomstige gegevens omgezet gaan worden in informatie door dat referentiekader.
    Hier kom ik niet uit bij het bewust nadenken en vormgeven zelf, maar bij datgene wat bepaalt hoe er vormgegeven wordt; datgene wat ieder van ons een unieke persoonlijkheid geeft, met unieke talenten en inzichten.
    Dit is als het ware de noodzakelijke architectuur die de mogelijkheid geeft aan informatie, vormgeving, of aan het nadenken zelf, om een coherent leven te leiden.
    Als iemand oplet tijdens de les, hoe let iemand dan op?
    Met welke intensiteit beoordeelt iemand een gegeven situatie of probleem?
    Nu is mijn vraag of deze architectuur positief te beinvloeden is door mensen te trainen op ‘scherpte’ (ofwel de intensiteit waarmee mensen zaken waarnemen).
    Indien iemand meer juiste energie/intensiteit hanteert tijdens het waarnemen, kunnen iteraties in het referentiekader – in theorie althans – sneller en nauwkeuriger plaatsvinden.
    En omdat het referentiekader krachtiger geworden is, kan de intensiteit van de waarneming op zijn beurt weer vergroot worden.
    Het achterliggende idee gaat dus niet over bewuste cognitieve gaven, maar over onbewuste mentale gaven.
    Voor alle duidelijkheid wil ik nog even kwijt dat ik het voorbeeld van de natuurlijke biotoop in geen opzicht te vergelijken vind met de kunstmatige biotoop dat de mens in maatschappelijk opzicht gecreeerd heeft.
    Als we de geschiedenis van de mens bekijken, zien we dat er altijd al vele ideologische en politieke stromingen geweest zijn, waaraan doorgaans financiele en machtsgerelateerde belangen ten grondslag lagen – en liggen.
    De mate waarin iemand zich wil conformeren aan bepaalde stromingen of trends, bepaalt ook zijn bewuste en onbewuste keuzes.
    En andersom bepalen keuzes of voorkeuren de mate waarin iemand wil deelnemen aan iets.
    Begrippen als ‘succesvol’, ‘falen’, en een stelligheid over de absentie van bewuste evaluatie, vind ik daarom niet terecht.
    Ik denk dat we allemaal wel situaties hebben meegemaakt die in de eerste instantie op tegenslagen leken, waarvan later, na een soort van ‘rijpingsproces’, bleek dat we daardoor toch onze beloning in de wacht sleepten (in geld bijvoorbeeld, maar even goed door verkrijgen van inzicht).
    Voor mij althans is dit een belangrijke iteratie geweest…
    Andersom kan ook: iemand kan bijvoorbeeld financieel succesvol zijn, maar niet eens weten hoe een koe gras eet.
    Het is maar wat je doelstellingen zijn…
    In dat opzicht ben ik toch wat nerveus als de kunstmatige aanleg door de mens gelijk gesteld wordt aan de natuur, en zeker in het opzicht van zogenoemde ‘natuurlijke wetten’.
    Voor je er erg in hebt kom je uit bij een politiek die sociaal darwinisme hanteert en middels eugenetica mensen onderverdeelt in ‘goede’ en ‘slechte’ genenpoelen; afhankelijk of mensen in de kunstmatig aangelegde ideologie passen of niet.
    Ik hoop stellig dat deze politiek in de toekomst niet de overhand zal gaan krijgen; ik zal namelijk erg ‘onsuccesvol’ willen zijn in een dergelijke maatschappij.

  4. Merlijn. John R. Searle maakt in zijn boek The Construction of Social Reality onderscheid tussen vormen van niet-agentieve functionliteit en agentieve functionaliteit. Niet-agentieve functionaliteit vinden we bij biologische organen zoals het hart. Om het hart te laten kloppen is er geen “agent of the action” nodig, het hart werkt onafhankelijk van de wil. Cognitieve activiteiten zullen vaak agentief zijn. We denken immers bewust na. Ons “scannen” van de omgeving is deels zeker onbewust. We doen dit onafhankelijk van onze wil. Maar dat betekent niet dat we dan niet zouden leren. Het verschil tussen agentief en niet agentief is cruciaal voor de beoordeling van de plaats van de mens in de natuur. Omdat volgens Jan Koster in Taal als Technologie functionaliteit geen intrinsieke eigenschap is van fysische structuren, is er een geheugen nodig om succesvolle non-agentive functionaliteit te conserveren. Dit geheugen wordt ons verschaft door het DNA. Bij de mens wordt het succesvol toekennen van agentieve funtionaliteit niet vastgelegd door het DNA maar door het geheugen zoals vervat in onze gedeelde, gemeenschappelijke cultuur., aldus Koster.

  5. Geachte heer Witteman,
    Ik ben niet op de hoogte van diverse vaktermen, hoewel ik weet wat u bedoelt met het woord ‘agent’ en de afgeleiden daarvan.
    Ik heb zeker niet beweerd dat we niet zouden leren door het onbewust beoordelen van onze omgeving. In tegendeel.
    Het onbewust scannen van onze omgeving is uberhaupt datgene wat opname van gegevens mogelijk maakt via de zintuigen, maar naar mijn mening tevens ook bepalend hoe de structuur, van de betekenis gegeven die wordt aan het gescande, er uit komt te zien.
    Ieder kijkt op een bepaalde manier naar de wereld in waakzame toestand, en dit gebeurt continu zonder dat daarbij bewust nagedacht wordt over zaken.
    Iemand leest bijvoorbeeld tekst op een monitor, en zonder dat er bewust nagedacht wordt, geeft iemand die tekst een betekenis en toonzetting; de tekst wordt op een bepaalde manier opgevat afhankelijk van iemands ervaring ten aanzien van het geschreven stuk, en dit gebeurt zonder dat iemand er grondig over nadenkt.
    Als ik iets wil kunnen ontdekken, moet ik een referentie hebben om datgene wat ik waarneem te herkennen.
    Anders vind ik het niet.
    Mijn oog valt pas op iets wanneer ik het op een of andere manier kan herkennen. Dit gebeurt veelal onbewust – de uitdrukking zegt het in feite al: het oog ‘valt’.
    Indien het iets opmerkelijks is, zijn we zelfs dikwijls verrast, aangezien we ons ineens bewust worden van de implicaties, en dat wil zeggen dat de voorafgaande herkenning zich op een onbewuste manier voltrok.
    Pas na de herkenning, of na analogie, kan ik dat iets pas zinvolle betekenis geven en wordt het in coherente zin opgenomen in mijn ervaringsachtergrond.
    Ik beweer dus dat er wel degelijk sprake is van leren.
    Maar iemand kan niet leren zonder zijn attentie ergens op te richten; en iemand zal onbewust zijn referentiekader gebruiken als hij zijn aandacht ergens op richt.
    Dan kom ik op het punt uit in welke mate iemand zijn aandacht ergens op richt; die intensiteit is bepalend voor de mate van interactie van iemands referentiekader met de buitenwereld, en is daarom tevens bepalend voor de mate waarin nieuwe informatie een plaats kan krijgen in dat referentiekader.
    Als ik de lijn verder doortrek (de cirkel compleet maak), is de mate waarin het referentiekader vatbaar is voor aanpassingen weer bepalend voor de manier waarop en de intensiteit waarmee iemand zijn attentie ergens op richt.
    Nu is het misschien zo dat deze attentie als non-agentief aangemerkt kan worden, aangezien de attentie altijd aanwezig is geweest en onafhankelijk lijkt te opereren van onze gedachtenwereld.
    Wanneer we echter kijken naar het geven van betekenis aan zaken, dan zien we dat attentie op een onbewuste manier gekleurd wordt door onze persoonlijke wereld, en derhalve door agentieve functies.
    En vice versa: de manier waarop en de mate waarin iemand zijn attentie richt op iets, kleurt iemands persoonlijke wereld.
    Kort door de bocht gezegd: iemand die systematisch niet goed oplet of onder invloed is, zal een geheel ander (wereld)beeld hebben dan iemand die nuchter en ‘vatbaar’ is.
    Tot zover mijn gedachte hierover.
    Wat Koster zegt over het conserveren van agentieve functionaliteit is, zover ik kan beoordelen, hetzelfde als wat ik in mijn verhaal de aanpassing of uitbreiding van het referentiekader genoemd heb (het referentiekader zie ik als een persoonlijk coherent netwerk van opgeslagen informatie, dat noodzakelijk is om de wereld te kunnen beoordelen).
    Ik betwijfel echter dat DNA daarin geen belangrijke factor zou kunnen zijn.
    Mijn vraag daarbij is in welke mate cultuur, of onderdelen van die cultuur, gevormd kan worden door genetische wijziging.
    Analoog hiermee denk ik aan de wijzigingen in natuurlijke omgevingsfactoren die zijn weerslag hebben op de genetische code van dieren, aangezien zij zich aanpassen middels een overlevingsmechanisme.
    Dat houdt tevens in dat cognitie van deze dieren eveneens gewijzigd wordt, om bijvoorbeeld voedsel te vinden en nieuwe technieken toe te passen om zich voedsel eigen te maken.
    Indien bepaalde omgevingsfactoren directe invloed kunnen hebben op iemands genen, en daardoor bijvoorbeeld een verslechterde gezondheid kunnen veroorzaken, betekent dit dat die persoon anders in de wereld komt te staan.
    Dit betekent in de eerste instantie een non-agentieve (genetische) wijziging, omdat het iemands lichamelijk functioneren betreft.
    Er kan echter gesteld worden dat die persoon, afhankelijk van de ernst, de wereld en zijn plaats daarbinnen anders gaat bekijken.
    Hierdoor wijzigt ook zijn bewuste cognitie, en ook de cognitie en karakter van zijn of haar eventuele kinderen, die opgroeien in een familiegerelateerde setting die het gevolg is van een bepaalde gebeurtenis.
    Gebeurtenissen kunnen daarom wel degelijk effect hebben op de betekenis die iemand geeft aan zaken, en dit kan dus losstaan van gemeenschappelijke cultuur.
    Het gebruik van taal en technologie is in principe onafhankelijk daarvan, omdat deze zaken in de eerste instantie onafhankelijk zijn van ons persoonlijke beeld van een grotere context; we kunnen taal los van het persoonlijke en in puur technische vorm gebruiken wat dat betreft.
    Zoals Koster het mooi omschrijft:’ taal is geen intrinsieke eigenschap van fysische structuren.’
    Taal kent zelf geen referentiekader; daarentegen gebruiken wij voortdurend ons referentiekader om ons een beeld te vormen van onze omgeving, en vullen dat beeld in met taal om ons te uiten.
    Taal is in die zin een stuk gereedschap om vorm te geven aan een beeld dat we voor ogen hebben.

  6. Geachte heer Witteman,
    Ik ben niet op de hoogte van diverse vaktermen, hoewel ik weet wat u bedoelt met het woord ‘agent’ en de afgeleiden daarvan.
    Ik heb zeker niet beweerd dat we niet zouden leren door het onbewust beoordelen van onze omgeving. In tegendeel.
    Het onbewust scannen van onze omgeving is uberhaupt datgene wat opname van gegevens mogelijk maakt via de zintuigen, maar

    naar mijn mening tevens ook bepalend hoe de structuur, van de betekenis die gegeven wordt aan het gescande, er uit komt te

    zien.
    Ieder kijkt op een bepaalde manier naar de wereld in waakzame toestand, en dit gebeurt continu zonder dat daarbij bewust

    nagedacht wordt over zaken.
    Iemand leest bijvoorbeeld tekst op een monitor, en zonder dat er bewust nagedacht wordt, geeft iemand die tekst een

    betekenis en toonzetting; de tekst wordt op een bepaalde manier opgevat afhankelijk van iemands ervaring ten aanzien van het

    geschreven stuk, en dit gebeurt zonder dat iemand er grondig over nadenkt.
    Als ik iets wil kunnen ontdekken, moet ik een referentie hebben om datgene wat ik waarneem te herkennen; anders vind ik het

    niet.
    Mijn oog valt pas op iets wanneer ik het op een of andere manier kan herkennen. Dit gebeurt veelal onbewust – de uitdrukking

    zegt het in feite al: het oog ‘valt’.
    Indien het iets opmerkelijks is, zijn we zelfs dikwijls verrast, aangezien we ons ineens bewust worden van de implicaties, en

    dat wil zeggen dat het voorafgaande geven van betekenis zich op een onbewuste manier voltrok.
    Pas na de herkenning, of na analogie, kan ik dat iets pas bewuste betekenis geven en wordt het in coherente zin opgenomen in

    mijn ervaringsachtergrond of referentiekader.
    Ik beweer dus dat er wel degelijk sprake is van leren.
    Maar iemand kan niet leren zonder zijn attentie ergens op te richten; en iemand zal onbewust zijn referentiekader gebruiken

    als hij zijn aandacht ergens op richt.
    Dan kom ik op het punt uit in welke mate iemand zijn aandacht ergens op richt; die intensiteit is bepalend voor de mate van

    interactie van iemands referentiekader met de buitenwereld, en is daarom tevens bepalend voor de mate waarin nieuwe

    informatie een plaats kan krijgen in dat referentiekader.
    Als ik de lijn verder doortrek (de cirkel compleet maak), is de mate waarin het referentiekader vatbaar is voor aanpassingen

    weer bepalend voor de manier waarop en de intensiteit waarmee iemand zijn attentie ergens op richt.
    Nu is het misschien zo dat deze attentie als non-agentief aangemerkt kan worden, aangezien de attentie altijd aanwezig is

    geweest en onafhankelijk lijkt te opereren van onze gedachtenwereld.
    Wanneer we echter kijken naar het geven van betekenis aan zaken, dan zien we dat attentie op een onbewuste manier gekleurd

    wordt door onze persoonlijke wereld, en derhalve door agentieve functies.
    En vice versa: de manier waarop en de mate waarin iemand zijn attentie richt op iets, kleurt iemands persoonlijke wereld.
    Kort door de bocht gezegd: iemand die systematisch niet goed oplet of onder invloed is, zal een geheel ander (wereld)beeld

    hebben dan iemand die nuchter en ‘vatbaar’ is.
    Tot zover mijn gedachte hierover.
    Wat Koster zegt over het conserveren van agentieve functionaliteit is, zover ik kan beoordelen, hetzelfde als wat ik in mijn

    verhaal de aanpassing of uitbreiding van het referentiekader genoemd heb (het referentiekader zie ik als een persoonlijk

    coherent ‘netwerk’ van opgeslagen informatie, dat noodzakelijk is om de wereld te kunnen beoordelen).
    Ik betwijfel echter dat DNA daarin geen belangrijke factor zou kunnen zijn.
    Analoog hierbij denk ik aan de wijzigingen in natuurlijke omgevingsfactoren die zijn weerslag hebben op de genetische code

    van dieren, aangezien zij zich aanpassen middels een overlevingsmechanisme.
    Dat houdt tevens in dat cognitie van deze dieren eveneens gewijzigd wordt, om bijvoorbeeld voedsel te vinden en nieuwe

    technieken toe te passen om zich voedsel eigen te maken.
    Mijn vraag is in welke mate cultuur, of een onderdeel van die cultuur, gevormd kan worden door genetische wijziging.
    Indien bepaalde omgevingsfactoren directe invloed kunnen hebben op iemands genen, en daardoor bijvoorbeeld een verslechterde

    gezondheid kunnen veroorzaken, betekent dit dat die persoon anders in de wereld komt te staan.
    Dit betekent in de eerste instantie een non-agentieve (genetische) wijziging, omdat het iemands lichamelijk functioneren

    betreft.
    Er kan echter gesteld worden dat die persoon, afhankelijk van de ernst, de wereld en zijn plaats daarbinnen anders gaat

    bekijken.
    Hierdoor wijzigt ook zijn bewuste cognitie, en ook de cognitie en karakter van zijn of haar eventuele kinderen, die opgroeien

    in een familiegerelateerde setting die het gevolg is van een bepaalde gebeurtenis.
    Gebeurtenissen kunnen daarom wel degelijk effect hebben op de betekenis die iemand geeft aan zaken, en dit kan dus losstaan

    van gemeenschappelijke cultuur.
    Het gebruik van taal en technologie is in principe onafhankelijk daarvan, omdat deze zaken in de eerste instantie

    onafhankelijk zijn van ons persoonlijke beeld van een grotere context; we kunnen taal los van het persoonlijke en in puur

    technische vorm gebruiken.
    Zoals Koster het mooi omschrijft:’ taal is geen intrinsieke eigenschap van fysische structuren.’
    Taal kent zelf geen referentiekader; daarentegen gebruiken wij voortdurend ons referentiekader om ons een beeld te vormen van

    onze omgeving, en vullen dat beeld in met taal om onszelf te uiten.

LAAT EEN REACTIE ACHTER