Home » Materiaal 12+ » Waar of niet waar? Test je kennis!

Waar of niet waar? Test je kennis!

DOEL

Het doel van deze werkvorm is om het begrip van de lesstof van leerlingen te beoordelen. Dat doe je door hen bij een aantal stellingen te laten aangeven of deze waar of niet waar zijn. Leerlingen:

  • beoordelen uitspraken over de lesstof op juistheid;
  • lichten eventueel hun keuze mondeling toe.
KOPPELING AAN LESFASE

‘Waar of niet waar?’ kun je in verschillende fasen van je les als werkvorm inzetten:

  • bij de start van je les om de voorkennis van leerlingen te activeren;
  • aan het einde van de les om te controleren of leerlingen de stof hebben begrepen;
  • aan het einde van een hoofdstuk als formatief evaluatiemoment.
TIJD

10 – 15 minuten, afhankelijk van het aantal stellingen

BENODIGDHEDEN
  • Twee A4’tjes met ‘WAAR’ en ‘NIET WAAR’
  • Eventueel: een (PowerPoint-)presentatie met de stellingen
  • Eventueel: wisbordjes voor de leerlingen (zie ‘Differentiatie’)
VOORBEREIDING
  1. Formuleer de stellingen. Verwerk deze eventueel in een presentatie.
  2. Print de twee A4’tjes met ‘WAAR’ en ‘NIET WAAR’.
UITVOERING
  1. Hang aan weerszijden van het lokaal de A4’tjes met ‘WAAR’ en ‘NIET WAAR’.
  2. Lees een stelling voor of toon deze op het bord. Leerlingen lopen naar de kant waarvan zij denken dat deze juist is.
  3. Vraag enkele leerlingen om hun keuze toe te lichten.
  4. Bespreek het juiste antwoord.
DIFFERENTIATIE
  • Verwerk rekenvragen in de stellingen. Leerlingen kunnen eventueel een wisbordje gebruiken om hun berekening en antwoord op te schrijven.
  • Laat leerlingen groepjes vormen en pas de werkvorm DDU (Denken, Delen en Uitwisselen) toe. Laat leerlingen eerst individueel nadenken over het antwoord. Vervolgens delen ze hun antwoord met de andere leerlingen in het groepje. Ten slotte kiezen ze gezamenlijk voor één antwoord. Vooral geschikt om de leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben mee te nemen in het denkproces!
  • Laat de leerlingen zelf nieuwe stellingen bedenken en de discussie leiden.
VOORBEELDEN

De volgende stellingen gaan over het onderwerp ‘Natuurwetenschappen’ voor klas 1-2:

  1. “Bij natuur- en scheikunde bestuur je de levende natuur.” NIET WAAR
  2. “Een eenheid is een eigenschap die je kunt meten.” NIET WAAR
  3. “In het practicumlokaal mag je niet eten en drinken.” WAAR
  4. “Het verbranden van hout hoort bij scheikunde.” WAAR
  5. “56 is een voorbeeld van een meetwaarde.” WAAR
  6. “De blauwe vlam wordt ook wel de pauzevlam genoemd.” NIET WAAR

De volgende stellingen gaan over het onderwerp ‘Stoffen’ voor klas 1-2:

  1. “Kleur is een voorbeeld van een stofeigenschap.” WAAR
  2. “Een zuivere stof bestaat uit verschillende soorten moleculen.” NIET WAAR
  3. “Koffie zetten is een voorbeeld van extraheren.” WAAR
  4. “Verf is een voorbeeld van een suspensie.” WAAR
  5. “Het volume van een stof kun je bepalen met de onderdompelmethode.” WAAR
  6. “Een blokje van 1 cm3 heeft een dichtheid van 7,8 g/cm3. De massa van het blokje is 0,14 gram.” NIET WAAR

De volgende stellingen gaan over het onderwerp ‘Elektriciteit’ voor klas 3:

  1. “De netspanning in Nederland is 230 V.” WAAR
  2. “Bij een parallelschakeling is de stroomsterkte overal even groot.” NIET WAAR
  3. “Als de stroomsterkte in een groep groter wordt dan 26 A, dan schakelt de groepsverzekering de stroom uit.” NIET WAAR
  4. “Een wasmachine is aangesloten op een stopcontact en heeft een vermogen van 2300 W. De stroomsterkte is 10 A.” WAAR
  5. “1 kWh is hetzelfde als 3,6 MJ.” WAAR
  6. “Als een wasmachine van 2100 W en een droger van 1800 W worden aangesloten op één groep, zal de zekering omklappen.” WAAR
Van de makers van Nova

Andere Lessuggesties NaSk

Er zijn geen resultaten gevonden...

Onbeperkt toegang
met je OvM account

Met het OvM account krijg je als onderwijsprofessional toegang tot meer artikelen en regel je welke informatie je wilt ontvangen. Bijvoorbeeld de nieuwsbrief of Juf & Meester.