Puberbrein 9 – Het belang van de mentor

29

Ook in de jaren ’70 van de vorig eeuw waren er al verschillen van inzicht tussen ouders en mentoren, zoals we in het filmpje van Van Kooten en De Bie kunnen zien. We gaan nu weer terug naar het heden met zijn eigentijdse kansen en problemen. In een voorafgaand artikel hebben we eerst het meisje kunnen volgen op weg naar de brugklas. Na deze kennismaking vertelde ik u over de jongen op weg naar diezelfde brugklas.

 

We hebben gezien hoe ze beiden onder invloed van genen en hormonen een eigen ontwikkelingsproces doormaakten.

 

Invloed van de thuisomgeving
Dit artikel kijkt naar de ontwikkeling die pubers in de klassen 2, 3 en 4 van het VO doormaken onder invloed van hun thuisomgeving en hun schoolomgeving. Het is duidelijk dat deze beide omgevingen grote invloed hebben op hun verdere groei naar volwassenheid.  Als we het over de thuisomgeving hebben, wordt hun ontwikkeling sterk beïnvloed door hun opvoeders, meestal de ouders. Opvoeders hebben allemaal zo hun eigen opvattingen en hun eigen achtergronden. Daarom verschillen zij in de stijl van hun methodes. De stijl van opvoeden van de ouders en het omgaan met emoties en gevoelens -woede, angst en verdriet- van hun kind, heeft ook effecten op het gedrag van het kind op langere termijn. Een beschrijving van de kenmerken van de 4 opvoedingsstijlen van ouders, en de latere effecten ervan op kinderen, vindt u in het schema hiernaast.

Invloed van de schoolomgeving
Als we het over de schoolomgeving hebben, wordt de ontwikkeling van de leerlingen sterk beïnvloed door hun docenten, mentoren en niet te vergeten hun medeleerlingen. Volgens  E. Crone (2008) heeft een deel van de tweedeklassers, en de meeste derde- en vierdeklassers, het zelfbeschermende egostadium achter zich gelaten. In het zelfbeschermende egostadium (10 – 13 jaar) willen leerlingen vooral zélf dingen regelen en menen ze zichzelf te kunnen beschermen. Er is een betere zelfcontrole op emoties en een algemeen gevoel van onaantastbaarheid. De relaties worden meer opportunistisch en instrumenteel. Een kenmerkende reactie bij kritiek is dat het kind ontkent dat die kritiek hem of haar raakt. Het betaalt met gelijke munt terug. Dat is al heel anders in het conformistische stadium (13–17 jaar). Dit stadium is veel meer socio-centrisch, wat wil zeggen dat de puber zich los gaat maken van de ouders en zich gaat richten op de eigen sociale omgeving, en met name op leeftijdgenoten in dezelfde peergroup. Dat kan een groep zijn met heel uitzonderlijke kenmerken en uitingen (conformistisch moet hier dan ook niet gelezen worden als ‘conventioneel’). Gelijkheid binnen de groep is belangrijk en relaties moeten wederkerig zijn. Het moet vooral leuk zijn om met elkaar om te gaan. In dit stadium trekt men zich kritiek aan en trekt er lering uit.

Naar een krachtig autoritatief mentoraatsmodel
Het lijkt logisch een mentoraatsmodel te ontwikkelen dat voldoet aan een steeds diversere vraag vanuit de samenleving en dat aansluit bij de meest voor de hand liggende opvoedingsstijl. Op het niveau van de onderwijspolitiek wordt er steeds meer gedacht aan passend onderwijs voor de grote variatie aan leerbehoeften bij leerlingen met leerproblemen. Voor het gewone voortgezet onderwijs heb ik samen met het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum (APS) en enkele scholen de ontwikkeling in gang gezet van het expeditiemodel, waar het SER-magazine november vorig jaar over berichtte.

Het lijkt dan ook logisch een mentoraatsmodel voor het gewone onderwijs te ontwikkelen dat aansluit bij de opvoeding thuis. Dit autoritatieve mentoraatsmodel zal in het ideale geval een doorgaande lijn vormen met de opvoedingsstijl van de ouders. Als de opvoedingsstijl van de ouders eerder autoritaire, permissieve of laissez-faire trekken vertoont, kan het autoritatieve mentoraatsmodel van de school een corrigerende rol vervullen.
Uw vragen, opmerkingen en suggesties zijn zoals altijd zeer welkom.

 

29 REACTIES

  1. Dat expeditiemodel lijkt me een goed concept, al begrijp ik wel dat het een model is dat nog in ontwikkeling is. Ik heb goede ervaringen met het APS en ik heb er vertrouwen in dat het gaat lukken. Dr Witteman houdt u ons op de hoogte? Waar kunnen we er meer over horen? Ik zal dit artikel doorsturen aan de directie van onze school.

  2. Margje. Ik ben ook benieuwd, maar ben ook sceptisch. Op mijn school in Den Haag lijken alle problemen zo’s beetje samen te komen. De achtergronden van de leerlingen zijn zo verschillend, dat veel van mijn collega’s het nauwelijks nog aankunnen. Iedereen naar het LWOO zou ik zeggen. Daar zijn de klassen geen 30 maar slechts 15 groot. En verder: kleinere scholen met een menselijke maat. En ook de managers voor de klas. Draagt bij tot begrip.

  3. Op 5 en 6 april 2011 wordt door het SBO een interesssant congres gehouden: Klik op: http://www.e-learningcongres.nl/onderwijs-dag-1
    Ook Henk Witteman spreekt hier onfder meer over het expeditiemodel. Hier volgt de tekst van de brochure:
    D. Het expeditiemodel: leraar en leerling samen ontdekkend leren
    In het expeditiemodel zijn leerling en docent gezamenlijk verantwoordelijk voor de goede afloop. In tegenstelling tot het huidige veldloopmodel, waarbij de leerkracht slechts een inspanningsverplichting heeft en alleen de sterkste leerlingen overleven. Het nieuwe model sluit aan bij de werking van de hersenen en de nieuwe vorm van leren:
    Wat is de neurobiologische basis van leerstijlen en leergedrag?
    Wat ligt neurobiologisch ten grondslag aan het slagen of falen van leerlingen?
    Wat is de wetenschappelijke basis van het expeditiemodel?
    Welke belangrijke rol krijgt het mentoraat in het expeditiemodel?

  4. Beste Henk: Verbeteringen en tegelijkertijd bezuinigingen in het onderwijs. Het staat te lezen in de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mevrouw Marja van Bijsterveldt-Vliegenthart d.d. 31 januari 2011.. Daarom is haar brief verheugend, maar tegelijkertijd ook rampzalig door de afronding en oplossing van het een en ander in deze tijd van bezuinigingen! Verheugend omdat eindelijk het een en ander zwart op wit staat en door een minister wordt erkend!
    De regering erkent dat de (door regeringswege in het nabije verleden ingevoerde) onderwijsvernieuwingen, die een aanvang namen met WSNS in het basisonderwijs en nu ook het voortgezet onderwijs bereiken, een averechts effect hadden in plaats van een verbetering!
    Een korte samenvatting uit haar brief:
    “Het aantal leerlingen met een indicatie is sinds 2003 door de invoering van Passend Onderwijs met 65 % toegenomen! Leerlingen worden door dit stelsel in toenemende mate gestigmatiseerd. Met 10 % van de leerlingen in het basisonderwijs is inmiddels iets mis en met 20 % uit het voortgezet onderwijs. Jaarlijks zitten tussen de 2500 en 3000 leerlingen langer dan 4 weken ongewenst thuis, omdat er geen plaats voor ze is in het onderwijs mede door de wachtlijsten in het speciaal onderwijs.”
    Dat er iets mis is met het onderwijs is niemand ontgaan! Waar ik wel verbaasd over ben zijn de hoge percentages! Wat is er mis met de psychiatrie in Nederland? Is de scheidslijn tussen gediagnosticeerd en ongediagnosticeerd dan zo klein? Kennelijk wel! Met mij vermoedden een groot aantal mensen het al, maar het is nu ook bewezen!
    De minister kondigt tegelijkertijd zes verbeteringen aan in het onderwijs (zie bladzijde 2, 3 van haar brief (http://www.passendonderwijs.nl/files/media/nieuws/Beleidsbrief_Passend_Onderwijs_31012011.pdf). Prachtig, maar nergens is te lezen hoe in de praktijk het gewenste effect wordt bereikt: De omgang van de docenten en leerkrachten met een sterk veranderende onderwijspraktijk! Want wat is nu het werkelijke probleem. Geen mens weet hoe je les moet geven in volle klassen met zo’n 30 leerlingen, waarvan er in het basisonderwijs nu gemiddeld 3 leerlingen een andere aanpak behoeven (en daarbij zijn de eenvoudige problemen als “dyslexie” e.d. niet eens meegeteld!). In het verleden had de basisschool daar een afdoende oplossing voor: Inzet op het gemiddelde, want zij hebben te maken met leerlingen met veel verschillende “intellectuele niveaus” van zwakbegaafd tot hoogbegaafd en alles wat daar tussen zit. Dat wringt en daar koos Nederland als oplossing het buitengewoon onderwijs voor (nu speciaal onderwijs). Het systeem is echter verouderd en zeker niet meer van deze tijd. Het buitengewoon onderwijs was zo’n twintig jaar geleden ook al te duur geworden en bleef groeien mede ook door de inzet van een sterk veranderende maatschappij. De minister noemt in de brief een grote som geld voor het basisonderwijs (maar is dit echt zo?) en een aantal partijen, die erop moeten toezien dat het dit keer wel goed gaat daar. Toch zal het ook in de toekomst mis blijven gaan! Het zal waarschijnlijk net zo gaan als wat ik in de praktijk nu al meemaakte: De zorg in het reguliere onderijs bestaat uit een aantal partijen (en het maakt niet uit wie die partijen zijn), die zich “zorgen maken” over de meestal “gedrags”- problemen die nu in toenemende mate in het onderwijs voorkomen. Gedragsproblemen die waarschijnlijk mede door WSNS in het reguliere basisonderwijs zijn ontstaan (er zijn een aantal leerlingen die baat hebben bij rust, reinheid en regelmaat, die in het verleden door één leerkracht gemakkelijk kon worden geboden, maar doe dat nu maar eens in je eentje met 30 leerlingen). Zorg in het regulier onderwijs zal blijven wat het al is geworden: “het je zorgen maken” en geen adequate oplossingen kunnen bieden. En dat verslindt een hoop geld!
    Leerkrachten is eenvoudig te leren wat ze zoal aan zorgleerlingen kunnen tegenkomen in de praktijk; dat is ook waar de ambulante begeleiders een taak in hebben / straks hadden, maar hoe het in de praktijk moet met 30 leerlingen of met 60 of 90 desnoods, dat weet niemand! De oplossing blijft natuurlijk wel inzetten op de man / vrouw voor de klas, maar tevens ook op klassenverkleining of desnoods op het invoeren van enkele onderwijsassistenten o.i.d.
    En dan vergeet de minister één partij die mede heeft gezorgd voor de toename van indicaties in het onderwijs: De inspectie met het rampzalige “meten is weten’ beleid. Het blijft namelijk zo dat het aantrekkelijk is om een indicatie te hebben voor een leerling in het reguliere onderwijs. Als het klassengemiddelde op een Cito-toets namelijk lager is dan het landelijk gemiddelde, is het lonend om leerlingen te hebben met een vastgestelde “diagnose” als ze het klassengemiddelde naar beneden trekken. Ze kunnen dan uit de telling worden gelaten! Het Cito -volgsysteem is rampzalig en zal het blijven voor goed Passend Onderwijs. Het wordt gebruikt door de inspectie voor de gemiddelden en daar boven, terwijl we juist van die gemiddelden af moeten. Een andere gedachte die vaak bij mij opkomt: Is Cito een staatsbedrijf? Er wordt niet geschroomd om “teleurstellende” resultaten aan de grote klok te hangen door plaatsing met naam en toenaam van de school op het internet! Vergeten wordt dat er leerlingen soms iets langzamer leren en iets meer tijd nodig hebben. Het artikel geplaatst op de website van Ouders Online in 2004 is nog steeds actueel: http://www.ouders.nl/mond2004-langzaamleren.htm
    Maar langer over het onderwijs doen is uit den boze, volgens de inspectie! Het basisonderwijs kan er nog wel mee omgaan, maar in het v.o. wordt nu massaal voor een andere oplossing gekozen: afstromen naar beneden! En dit soms met intelligente kinderen, waarvan de leerstijl afwijkt van het gemiddelde. Een groot aantal zorgleerlingen (met diagnoses als ADD e.d) met zelfs ver boven gemiddelde capaciteiten komt terecht op het VMBO. Daar schrijft helaas de minister niets over! Leerlingen waarvan jarenlang hun andere leerstijl wordt ontkend (er is anders dan in sommige buitenlanden, bijv. Nieuw Zeeland, geen expertise in Nederland). Maar nergens in de brief van de minister vind ik aandacht voor leerlingen met “cluster 4”-achtige problematiek in de “hogere” schooltypen als Havo en VWO in de brief. Ook “leren studeren; leren leren” is geen gangbare schoolpraktijk in Nederland. Dit is beter geregeld bij onze zuiderburen, waar dit wel een item is voor de inspectie! Veel gemiste kansen, want het verklaart volgens mij de toename van zorgleerlingen in het voortgezet onderwijs met 20 %. Het voortgezet onderwijs wordt nu in toenemende mate geconfronteerd met gedragsproblemen. Gedragsproblemen als bij ADHD baart het v.o zorgen, terwijl de onderpresterende “rustige”leerling met concentratieproblemen echter geen echt probleem daar is! Hij / zij krijgt eventueel(heel wrang) een onvoldoende op het rapport voor “motivatie”, terwijl “concentratie”op het zelfde rapport dan ook nog wel eens als voldoende wordt ingevuld, want daar ligt het eigenlijke probleem, terwijl er geen les wordt gegeven of hulp wordt geboden in “concentreren”. Problemen die ze op het v.o. (meestal dan boven VMBO) niet kenden en waar ze nu geen raad mee weten, gewend als ze waren aan uitgeselecteerde groepen leerlingen qua intellectueel niveau! De lespraktijk is in het voortgezet onderwijs onderwijs aan het vastlopen door de daar standaard gevoerde auditief seriële (klassikaal/frontale) leerstijl, terwijl ze nu wordt bevolkt met leerlingen die in het dagelijkse leven door gebruik van computers en media hele ander neurale netwerkverbindingen hebben aangelegd! Veel leerlingen zullen er geen probleem mee hebben, maar het zorgt mede wel voor een drastische toename van “cluster 4”-leerlingen! De afstand tussen schoolpraktijk en maatschappij is nog nooit zo groot geweest! Zorg a.u.b. voor een paradigmaverandering. Verhelderend is het You Tube filmpje al eens opgenomen op onderwijsvanmorgen.nl in een artikel: http://www.onderwijsvanmorgen.nl/het-paradigma-verandert

    De invoering van de zorgplicht zal voor verbeteringen zorgen, maar zal ook rampzalig blijken als er niet anders wordt ingestoken!

  5. Jan Steenhuis. Beste Jan. Veel dank en waardering voor je uitvoerige reactie. Je echetst hier een heel dringende problematiek. Ik zal graag op onderdelen reageren. Maar ik wil eerst anderen de kans geven op dit bericht of op gedeelten ervan hun licht te laten schhijnen. Ik kom erop terug. Alle reacties zijn dus welkom. Groet, Henk.

  6. Ik mis in het schema van de opvoedingsstijlen de drie r’s van rust, regelmaat en reinheid bij de autoritatieve stijl, terwijl dat mijns inziens nou juist zo belangrijk is voor de ontwikkeling van het kind. Het stellen van grenzen alleen is niet genoeg.
    We moeten er voor waken dat een kind benaderd wordt op het niveau waar het aan toe is. Het gaat niet alleen om de leerstijl, maar ook in welke leerfase is een kind aanbeland. Door haar “meten is weten”-beleid gaat de inspectie ook volledig voorbij aan dit aspect.
    Niet elk kind is op een bepaalde kalenderleeftijd toe aan het zelfde niveau. Bovendien is het soms voor een puber die met hele andere dingen dan leren bezig is door de gierende hormonen om eens keer te blijven zitten. Daarna gaat het vaak veel beter.

    Soms wil een kind al meer dan dat het aankan. Daarvoor zijn regels nodig, die het kind beschermen. Niet in alle gevallen is uitleg, warmte en liefde genoeg. Vooral gezag is belangrijk. En gezag kun je alleen verwerven door vertrouwen. Zelfs als leerkracht/docent kun je dan pas je klas aan, als je dat gezag bij je leerlingen verworven hebt. Mijns inziens wordt dat veel te vaak vergeten. In de opleidingen wordt daar nauwelijks aandacht aan besteedt. Gentle teaching is een manier waarmee je geweldige resultaten kunt behalen en die je zelf ook stimuleren om door te gaan.

  7. Het beeld dat ik krijg bij het woord expeditiemodel is een combinatie van gezag, autonomie, persoonlijke inzet, gezamenlijke verantwoordelijkheid, maar ook veiligheid en onderling respect. Ik vind het een prachtig beeld bij een onderwijsmodel. Ik hoop hier is de nabije toekomst veel van te horen.

  8. Jan – Je schrijft voor mij een wat ingewikkeld verhaal. Maar als je zegt dat het nog steeds niet goed gaat in het onderwijs, ben ik het helemaal met je eens. Volgens mij komt dat omdat de scholen veel te groot zijn en nog erger de klassen zijn overvol. Mijn dochter zit in een tweede klas vmbo-t. Er zitten maar liefst 30 pubers in de klas en ik kan me heel goed voorstellen dat die wel wat anders aan hun hoofd hebben als Frans en wiskunde. Bij sommige leraren is het echt een bende. Als de klassen nou eens kleiner konden worden, 20 leerlingen bijvoorbeeld. Dat zou een stuk schelen. Er zouden minder leerlingen afhaken. Een beter rendement zou de hogere kosten compenseren. President Kennedy zei het al lang geleden: If you don’t invest in education you invest in ignorance.

  9. @ Eric. Voor wat betreft het “METEN is WETEN” beleid van de inspectie ben ik het helemaal met je eens. In haar brief aan de kamer heeft de nieuwe minster van onderwijs het over de ongewenste labeling van kinderen door invoering van het lgf (“rugzakje” en rec) zie: http://www.passendonderwijs.nl/files/media/nieuws/Beleidsbrief_Passend_Onderwijs_31012011 Over de ongewenste labeling door het “METEN is WETEN”-beleid van de inspectie heeft ze het niet. Het “labelen” zal waarschijnlijk na 2012 bij de invoering van de zorgplicht daardoor nog steeds blijven doorgaan, want het is voor scholen nog steeds lonend om leerlingen die onder de maat scoren op het (CITO-)leerlingvolgsysteem van een labeltje te laten voorzien (zie heit al in een eerdere reactie genoemde artikel over “langzaam leren”‘: http://www.ouders.nl/mond2004-langzaamleren.htm). De overheid streeft naar meer “kindgericht” onderwijs en wil af van de inzet op het (klassen-)gemiddelde. Echter het “METEN is WETEN”-beleid staat daar helemaal haaks op.! Het gaat wel uit van een (landelijk) gemiddelde. Oh wee als een school daar onder scoort! Als met “pek en veren” kan dat een vermelding op het internet opleveren. Daar streeft toch geen enkele school naar? Maar helaas, niet ieder kind ontwikkelt zich in het zelfde tempo! En iets anders,wat een stress voor de arme kinderen die doorlopend d-tjes en e-tjes (is onder de maat) scoren op het (CITO-)leerlingvolgsysteem. We weten toch dat de basischool (anders dan het voortgezet onderwijs) wordt bevolkt door leerlingen van zeer verschillend niveau! Door handhaving van dit systeem lijkt de tijd van de “ezelsoren” in het onderwijs weer terug te keren. Waarom roert de minister in haar brief de labeling door het “METEN is WETEN”- beleid niet aan? Heeft het iets te maken met de enorme besparing die het afschaffen van het “rugzakje” (LGF en ook de Regionale Expertise Centra) in augustus 2012 oplevert?
    Het wetsvoorstel staat open voor internetconsultatie. Wilt u (nu, februari) reageren, dan kan dat: http://www.internetconsultatie.nl

  10. Jacq – Ik heb naar de internetconsultatie gekeken. Ik moet je zeggen dat ik met verbijstering heb gekeken naar de plannen van de minister van OCW We weten toch allang dat je met dit soort bureaucratische maatregelen scholen niet kan verbeteren? Je weet toch van te voren dat je misbruik krijgt van subsidies als je de problemen alleen met zakken geld probeert op te lossen. Geld schept immers zijn eigen vraag en net zoals water zoekt dit altijd het laagste punt, namelijk het putje. Ik zie liever de kleinere scholen van vroeger terug, waar ook voor de zwakkere leerlingen plaats was en niet te vergeten AANDACHT. De schaalvergrotingen hebben er voor gezorgd dat de scholen overstroomd werden door bureaucraten die ten laste komen van de schoolbegroting en die de schaarse middelen wegzuigen van degenen voor wie ze bedoeld zijn: ONZE KINDEREN EN DIE HOGERE SALARISSEN KRIJGEN DAN WIJ, DE LERAREN, DIE DE HITTE VAN DE DAG MOGEN DRAGEN.

  11. Deze reeks gaat in op de ontwikkeling van het puberbrein. Het is duidelijk dat de mentor een rol speelt bij de persoonlijke ontwikkeling van de leerlingen. Een goede mentor is goud waard, omdat deze in staat moet zijn de leerling door de verschillende egostadia te loodsen. Welke eisen mogen aan een mentor worden gesteld? Ook volwassenen blijven zich als persoon ontwikkelen en beinvloeden daardoor hun leerlingen. Wordt hieraan ook aandacht besteed in deze serie? Misschien een suggestie om deze waardevolle serie hiermee te eindigen/?

  12. Heel interessant om te lezen. maar de langere artikelen mogen wel wat mooier worden gezet kan dat? ik bedoel : graag iets meer wit tussen de regels en indeling in alinea’s en graag zwart op wit. Leest stuk prettiger.
    groet

  13. Margje. Goed gezien. Het is inderdaad belangrijk de persoon van de mentor bij deze serie te betrekken. Hoe zit het met de persoonlijke ontwikkeling van de mentor? Niet iedereen kan zo maar onder alle omstandigheden mentor zijn. Ik zal dus deze reeks afsluiten met de persoon van de mentor. Eerst komt er echter nog een artikel over de volgende fase van het puberbrein, of liever over het adolescentenbrein. Bedankt voor de tip!

  14. geachte heer Witteman, “Op het niveau van de onderwijspolitiek wordt er steeds meer gedacht aan passend onderwijs voor de grote variatie aan leerbehoeften bij leerlingen met leerproblemen. Voor het gewone voortgezet onderwijs heb ik samen met het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum (APS) en enkele scholen de ontwikkeling in gang gezet van het expeditiemodel, waar het SER-magazine november vorig jaar over berichtte”, schreef u in bovenstaand artikel. Echter in 2012 wordt de zorgplicht ingevoerd. De nieuwe minister van OCW kondigt in haar nieuwe wetsvoorstel bezuinigingen aan: De regionale expertise centra met de ambulant begeleiders worden afgeschaft, evenals het lgf (het zogenaamde rugzakje). “Zorgleerlingen” worden aangemeld bij het samenwerkingsverband, die de verplichting krijgt een plaats te vinden voor deze leerlingen. Het speciaal onderwijs zal blijven bestaan voor de ernstige gevallen, maar de klassen worden er groter; verder wordt er gewerkt aan terugplaatsing in het regulier onderwijs. Kan het voortgezet onderwijs en het mentoraat omgaan met de toeloop van “zorgleerlingen” de komende tijd? Is uw nieuwe expeditiemodel daar tegen bestand als het voortgezet onderwijs niet meer het gewone onderwijs is? Iedereen in het onderwijs kan tot 8 maart aan de minister duidelijk maken hoe hij/zij over de plannen denkt: http://www.internetconsultatie.nl/

  15. Melanie, als we niet oppassen wordt het nog erger in het voortgezet onderwijs. De nieuwe minister wijst op het aantal geïndiceerde zorgleerlingen in het basisonderwijs van 10 %! Ze vertelt echter niet hoe je les moet geven in volle klassen met zo’n 30 leerlingen (desnoods 25 leerlingen), kindgericht, d.w.z met onderwijs aan alle subgroepen van laagbegaafd tot aan hoogbegaafd, waarvan er nu gemiddeld 3 (of 2,5) leerlingen een andere aanpak behoeven (buiten de eenvoudige problemen als “dyslexie” e.d.). Ook is nu bekend dat de grootste toename in “zorgleerlingen” zit in zorgleerlingen met gedragsproblemen, emotionele problemen, concentratieproblemen. Voor het voortgezet onderwijs is het nog erger. Daar is, volgens de minister, het percentage zorgleerlingen al 20 %! Geleidelijk ook daar een toename van veelal gedragsproblemen, emotionele problemen en concentratieproblemen. Zou er een verband bestaan met het project WSNS in het reguliere basisonderwijs? Dat bestaat al meer dan een decennium. WSNS betekent: “weer samen naar school”; een overheidsprogramma om kinderen uit het speciaal onderwijs in het regulier onderwijs te integreren. Er zijn een groot aantal leerlingen die baat hebben bij rust, veiligheid en regelmaat. Ingrediënten die in het verleden door één leerkracht gemakkelijk kon worden geboden, maar doe dat nu maar eens in je eentje met 30 leerlingen, waarvan het de bedoeling is dat zo veel mogelijk zorgleerlingen (ook in het v.o) op de reguliere school blijven.Arme leerkrachten en mentoren!

  16. Geen wonder dat er te weinig geld is voor passend onderwijs.Heeft u gelezen over de beloningen die bestuurders van deze scholen zichzelf toekennen? Vaak meer dat de minister-president. Wist u dat een dochter van oud PVDA premier voor het bijwonen van 10 vergaderingen van Passend Onderwijs 13000 Euro krijgt? Regering doe daar eens wat aan, dan hoeven we niet te bezuinigen op de echte zwakken in de samenleving. Waarom zijn het toch zo vaak PVDA bestuurders, vraag ik me af?

  17. Marc, docent Natuurkunde. Helemaal mee eens. Die graai -cultuur moet eens aangepakt worden. Je ziet het ook op de Hogescholen. Wat verbeelden die mensen zich wel! Waarom moeten ze meer hebben dan bijvoorbeeld een hoogleraar? Als je integer bent, gun je het je leerlingen.

  18. Ik heb de oplossing voor de financiële problemen van Passend Onderwijs. Burgemeester van der Laan van Amsterdam heeft bij Minister Donner aan de bel getrokken. Alleen al in Amsterdam krijgen 30.000 (ja, derigduizend) mensen een uitkering van wie het adres onbekend is. Ze zijn onvindbaar in de gementelijke administratie. Deze krankzinnige situatie is ontstaan onder het bewind van de vorige Burgemeenster Cohen. Deze was waarschijnlijk aan het thee drinken om anderen de gelegenheid te geven de overheid kaal te plukken. Minister Donner heeft geantwoord dat hij de administraties van uitkeringsinstanties en gemeentes aan elkaar gaat koppelen. Dit zal voor het hele land misschien wel 200.000 gevallen van steunfraude opleveren. Als we de schade nou eens stellen op 5.000 per geval per jaar dan levert dit een besparing op van vele honderde miljoenen PER JAAR. kABINET: HIER IS HET GELD VOOR ONZE KINDEREN.

  19. Mentoren zijn ongetwijfeld belangrijk. Maar er moeten wel eisen aan hen worden gesteld. Het is goed in interessant om over de ontwikkelingsstadia van leerlingen te praten. Maar hoe zit het met de ontwikkelingsstadia van mentoren? Op mijn school zijn mentoren van begin twintig. Dat lijkt me wel wat jong. Vindt u niet?

  20. De opvoedingsstijlen reflecteren ook de geschiedenis. De autoritaire doet me denken aan de jaren 50. De permissieve doet me denken aan de jaren 60. De laissez-faire typeren aan de jaren 70 en 80. Dan komen de jaren des verstands. In de jaren 90 en 2000 wordt weer gezien dat wat sturing en begeleiding ook belangrijk zijn.

  21. De ontwikkeling van een goed mentoraatsmodel is essentieel schrijft u. U beschrijft ook waarom. Ik wil nog een stapje verder gaan. In België is het normaal om in het voortgezet onderwijs aandacht aan “leren studeren” te besteden. In veel buitenlanden is er aandacht voor de verschillende leerstijlen van leerlingen. Meneer Witteman, zou het in Nederland nu het voortgezt onderwijs wordt geconfronteerd met 20 % leerlingen met de een of andere geïndiceerde diagnose, niet mede een oplossing zijn voor passend onderwijs om aan die twee onderwerpen structureel ook aandacht te gaan besteden bij de ontwikkeling van een goed mentoraatsmodel? Zou dit misschien dan in goede mentorencursussen kunnen worden verwerkt? Op deze wijze van binnenuit in het onderwijs werken aan passend onderwijs?

  22. Jack. Je hebt helemaal gelijk wat de mentor en het mentoraat betreft. Ik ben ermee bezig en verwacht spoedig met de eerste reultaten naar buiten te komen.

  23. Beste heer Witteman,
    Maak van de gelegenheid gebruik om informatie aan u te vragen over het epeditiemodel.
    Met vriendelijke groet,
    C. Paling

  24. Cees Paling. Op 10 november 2010 publiceerde het SER-Magazine over nieuwe onderwijsontwikkelingen. Het volgende schreven zij over het EXPEDITIEMODEL:
    Expeditiemodel
    Maar het is niet alleen een kwestie van geld. Volgens sommigen is het onderwijssysteem zelf aan vernieuwing toe. Zo heeft onderwijskundige Henk Witteman een expeditiemodel ontwikkeld dat de af- en uitstroom – leerlingen die een niveau dalen of helemaal uitvallen – in het voortgezet onderwijs moet verkleinen. In het expeditiemodel zijn leerling en docent gezamenlijk verantwoordelijk voor de goede afloop. In tegenstelling tot het huidige veldloopmodel, waarbij de leerkracht slechts een inspanningsverplichting heeft en alleen de sterkste leerlingen overleven. Iedere leerling krijgt een eigen mentor en eens per twee weken vindt een individueel gesprek plaats. ‘Daardoor voelen de leerlingen zich gekend. Geen overbodige luxe op scholen, waar de menselijke maat vaak zoek is.’ Leerlingen die een bepaalde inzet tonen – ten minste 90 procent van de lessen volgen en hun huiswerk maken – en desondanks een onvoldoende halen voor een toets, mogen een foutenanalyse maken. Als de docent deze in orde vindt, dan wordt de onvoldoende alsnog een zes. Volgens Witteman komt dit systeem tegemoet aan de primaire veiligheidsbehoefte van de leerling. ‘Zij hebben geen reden om gestrest te zijn voor een toets, omdat ze die in een veilige omgeving afleggen. Het resultaat is dat ze het leren minder snel opgeven.’ Het model van Witteman is recent overgenomen door het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum, dat onderwijsinstellingen en scholen begeleidt en adviseert.
    Beste Cees, samen met een werkgroep van het APS zijn we bezig het model vorm te geven. Het zou bijvoorbeeld heel goed kunnen dienen bij Passend Onderwijs. Ik neem aan dat het APS de scholen zal informeren als het model rijp is om naar de scholen te gaan.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here