Denken of doen: leerlinggestuurd onderwijs

4

Maar weinig leerlingen leren uit zichzelf. Dat zal geen verrassing zijn. De belangrijkste sturing komt van de docent, lazen we in het vorige artikel in deze reeks. Daarnaast kunnen ook onderwijsmodellen (zoals probleemgestuurd onderwijs) en lesmateriaal sturing geven aan het leerproces. Ook wordt een deel van de sturing bij leerlingen neergelegd, zoals dat gebeurt in het leerlinggestuurd onderwijs. En daar is genoeg over te zeggen, zo blijkt uit positieve en negatieve reactie op dit soort onderwijs.

Volgens onderwijsonderzoekers Boekaerts en Simons trekken docenten in leerlinggestuurd onderwijs zich terug als vormgevers van het leerproces. Idealiter worden docenten alleen ingeschakeld als de leerlingen vinden dat zij de docenten nodig hebben. De laatste tijd is veel kritiek op leerlinggestuurd onderwijs gekomen zowel van de onderwijsgevenden als van de onderwijsnemenden. Leerlingen voelen zich in de steek gelaten en de docenten worstelen met hun nieuwe rollen van coach en tutor. In leerlinggestuurd onderwijs wordt het geven van uitleg en het stellen van vragen beperkt tot een minimum en richt de docent zich vooral op het geven van opdrachten en feedback.

Maar het is jammer om het leerlinggestuurd onderwijs zomaar als niet werkbaar af te doen. Omdat ieder mens zijn eigen kennisbestanden construeert vanuit onder meer de aanwezige voorkennis, zijn leerstijl en zijn motivatie is het klakkeloos overnemen van overgedragen kennis uiteindelijk geen goede optie. Kennis die wordt overgedragen en niet zelf wordt veroverd wordt slechts moeizaam geïntegreerd in aanwezige kennisbestanden. Echte kennis leidt tot competenties en deze worden pas na gedegen inspanning bereikt. Docenten kunnen een zekere mate van zelfregulatie door de leerlingen bereiken als zij het proces van het leren aansturen volgens het model van de kennisstroom (zie bijlage).

In de loop van het leerproces ondergaat kennis een aantal transformaties. Dit is te zien in het model. De weg van pure feitenkennis naar toepasbare kennis wordt in vier stappen genomen: de kennisfase, inzichtfase, toepassingsfase en competentiefase. Deze stappen kunnen we vertalen in vier typen van taken. Als we deze taken afzonderlijk uitvoeren met de daaraan gekoppelde toets dan is het goed mogelijk dat ook VO-leerlingen redelijk zelfstandig kunnen leren. Er is dan steeds een terugkoppeling tussen planmatig opgezette leerstof en evaluatie in de vorm van een toets. Zo kan de leerling aan het einde van de studietaak basale vragen (wie, wat, welke) over de lesstof beantwoorden. Aan het einde van de discussietaak kunnen leerlingen waarom-vragen beantwoorden. Aan het einde van de toepassingstaak kunnen leerlingen hoe-vragen beantwoorden of laten zien dat ze het geleerde op beperkte wijze kunnen toepassen. Na heel veel oefenen komen ze dan in de competentiefase. Nu passen ze het geleerde automatisch toe zonder hulp van de docent. Dit model is een suggestie om leerlingen op een veilige manier zelfstandig te laten werken en leren.

4 REACTIES

  1. Ik denk dat beide vormen natuurlijk hun positieve en negatieve uitwerking zullen hebben op kinderen. Er is wat het leerlinggestuurd onderwijs betreft bijvoorbeeld veel voor te zeggen dat kinderen zelfstandig leren werken en studeren. Hier zullen de meningen echter over verdeeld zijn.
    Iets waarvan ik daarentegen denk dat iedereen er over eens zal zijn, is dat mensen die naar de middelbare school gaan, lange tijd in veel opzichten nog kinderen zijn en kinderen hebben sturing en begeleiding nodig, dit is een pedagogisch principe! En daarbij stel ik me geen begeleiding voor die wordt teruggevoerd tot het broodnodige. Ik stel me voor dat het voor een heel groot deel van de leerlingen en hele moeilijke opgave is te voldoen aan de eis dat alle initiatief uit hen komt. Ik ben blij dat ik geen leerlinggestuurd onderwijs heb gehad want de middelbare school was voor mij zo’n turbulente periode dat het laatste wat ik er nog bij gehad zou willen hebben, en het laatste waar ik überhaupt toe in staat was geweest, het vormgeven aan mijn eigen leerproces zou zijn!
    Ik ben over het algemeen sterk van mening dat het ongezond is om constant zo vreselijk veel te veranderen aan het onderwijs. Kinderen hebben een zekere mate van regelmaat nodig en een constant veranderende schoolomgeving draagt daar niet aan bij.
    In mijn middelbare schooltijd wisten de leraren zich telkens geen raad met de nieuwe hervormingen zoals bijvoorbeeld S-uren. Ik denk dat een verhoging van het onzekerheidsgehalte van docenten het onderwijs ook niet ten goede komt.
    Als men de kinderen zelfstandig wilt laten werken, kan er dan niet binnen het ‘gewone’ (voor zover je daarvan kan spreken) onderwijs tijd ingeruimd worden voor zelfstandige opdrachten? Draagt het maken van huiswerk daar niet al genoeg aan mee? In de klas wordt toch door veel docenten een vrij uitgebreide vorm van dialoog aangehouden bij het aanleren van lesstof, en niet een soort éénrichtingsverkeer aangehouden zodat leerlingen ‘klakkeloos overgedragen kennis overnemen’?
    Binnen een gewone les kan toch het wie,waarom,hoe model toegepast worden?

    Deze vragen stel ik mezelf. Wat denken jullie?

  2. Naomi Warndorff- Een van de problemen rond zelfstandig leren ontstaat vauit de terminologie. Boekaerts en Simons onderscheiden zelfstandig werken, zelfstandig leren en zelfstandig reguleren. Bij zelfstandig werken houdt de docent de meeste leerfuncties in eigen hand. Bij zelfstandig leren deelt de docent te leerfuncties met de leerlingen. Bij zelfstandig reguleren draagt de docent de leerfuncties over een de leerling. J. Vermunt plaatst deze vormen van oplopende zelfstandigheid in Vygotsky’s zone van naaste ontwikkeling. Deze beschrijft niet alleen een geleidelijk oplopende moeilijkheidsgraad van de leerstof, maar verbindt hier ook graden van zelfstaandigheid aan. Bij te weinig of te veel groei spreekt Vermunt van destructieve frictie. Bij een begeleide (en geleidelijke) groei spreekt hij van constructieve frictie. Deze constructieve frictie is nodig om het leren boeiend te houden en de motivatie te bevorderen. Uit de hersenwetenschappen weten we dat de mate van zelfstandigheid in grote mate afhankelijk is van de groei van de prefrontale cortex. Deze bereikt volwassenheid tussen en 16e en het 20e levensjaar. Zelfstandig reguleren als hoogste graad van zelfstandigheid binnen het schoolse leren begint dus pas mogelijk te worden vanaf het 16e jaar. Het hanteren van gewenste graden van zelfstandigheid in heterogene klassen is een voortdurende strijd van de leraar voor de klas.

  3. ik denk dat het goed is dat je reflecteert op je eigen ervaringen maar dat leerlinggestuurd onderwijs juist een methode kan zijn om tegemoet te komen aan individuele leermethode’s kinderen kunnen zichzelf niet altijd sturen maar als leraar kun je ook die leerlingen die hierin eventueel vastlopen begeleiden. Voorwaarde is dan wel dat je je verdiept in de persoonlijke redenen die aan deze stagnatie ten grondslag liggen.

    gegroet leonvdlangenberg@yahoo.com

  4. Op zich heb je wel gelijk als je stelt dat leerlinggestuurd onderwijs meer kansen biedt voor individuele leerwegen en leermethodes. Ik ben daar zelf ook wel voor, maar dan toch in een sociale context. Je zou het onderwijs in de klas kunnen organiseren in verschillende trajecten met verschillende tempi. Dat doet ook recht aan de ontwikkelingsgehoeften van leerlingen. Volgens Vygotsky (1978) is het wenselijk dat leerlingen leren in sociale verbanden. We noemen dit het sociaal constructivisme. Mensen creëren (construeren) hun eigen kennisnetwerken, maar kunnen dit om leertechnische en pedagogische redenen het beste doen samen met anderen.Vygotsky dacht dat de vaardigheden van een kind voortkwamen uit sociale interacties met bijvoorbeeld ouders en leerkrachten. “Every function in the child’s cultural development appears twice: first, between people (interpsychological) and then inside the child (intrapsychological). This applies equally to voluntary attention, to logical memory, and to the formation of ideas. All the higher functions originate as actual relationships between individuals” (Vygotsky, 1978, p.57)
    Met de nieuwe inzichten vanuit de neuropsychologie kunnen we dit nog steeds onderschrijven.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here