Spreekwoorden en gezegdes zijn overal, in gesproken én in geschreven taal. Met spreekwoorden vergroot je het begrijpend lezen en luisteren. Bovendien helpen ze leerlingen om preciezer en expressiever te communiceren, omdat één gezegde soms meer zegt dan een hele uitleg. Ook stimuleren ze creatief en beeldend denken, wat motiverend werkt en het plezier in taal vergroot. Aan de slag dus, voor een lekker tussendoortje vol taalplezier!
Verzamel samen zo veel mogelijk spreekwoorden en gezegden rond een thema, bijvoorbeeld de winter (zie tabel). Bespreek de betekenis van elk spreekwoord of gezegde en bedenk samen een situatie waarin je het kunt gebruiken. Laat de lijst op het bord staan en kies een spel.
Pantomime
Verdeel de klas in groepjes. Per groepje kiest één kind een spreekwoord en beeldt dit uit. Zet een timer, zodra die afgaat, moeten alle mimespelers bevriezen in hun pose. Pas dan mogen de andere kinderen proberen te raden welk spreekwoord het is.
Vervolgverhaal
Begin een verhaal met een zin waarin een spreekwoord voorkomt, bijvoorbeeld: Hij keek onder zijn bed, maar gelukkig was hij een koele kikker of ‘Laat je me nou in de kou staan?’ vroeg moeder boos. De kinderen staan in een kring en voegen om de beurt een zin toe, zodat er een compleet verhaal ontstaat.
Tekenrace
Werk in groepjes. Laat de kinderen samen één spreekwoord kiezen. Zet daarna de timer op 1 minuut. Ieder kind tekent in stilte een eenvoudige, snelle schets die past bij dat spreekwoord. Woorden of letters zijn verboden! Zodra de timer afgaat, verzamelt een kind van ieder groepje de tekeningen en geeft die door aan een ander groepje. Elk groepje bekijkt samen de tekeningen die ze hebben gekregen, en probeert te raden welk spreekwoord er is getekend.
Strip
Laat ieder kind bij een spreekwoord een tekening of stripje tekenen. Hang de resultaten met het spreekwoord erbij op in de klas – een visuele reminder!
Mini-podcast
Laat tweetallen een korte podcast opnemen waarin ze een spreekwoord uitleggen. Ze geven ook een voorbeeld en vertellen wanneer je het gebruikt.
Wie ben ik?
Werk in groepjes. Plak een post-it met een spreekwoord op het voorhoofd van één kind. De andere kinderen in het groepje geven hints door het spreekwoord te omschrijven, zonder een woord eruit te noemen, totdat het kind raadt welk spreekwoord het is.
Bingo
Maak bingokaarten met spreekwoorden. Lees betekenissen voor en de leerlingen kruisen het spreekwoord aan op de bingokaart. De eerste met een volle rij of kaart wint.
| De kou is uit de lucht. | Als sneeuw voor de zon verdwijnen. | Dat is een koud kunstje. | Dat laat mij koud. |
| Dat valt me koud op het dak. | Hoge bomen vangen veel wind. | Wie wind zaait, zal storm oogsten. | Na regen komt zonneschijn. |
| Ergens koude rillingen van krijgen. | Er warmpjes bijzitten. | De wind in de zeilen hebben. | Het ijs breken. |
| Zich op glad ijs begeven. | Iemand in de kou laten staan. | Van de regen in de drup. | In de wolken zijn. |
| Met alle winden meewaaien. | Een koele kikker zijn. | De wind van voren krijgen. | Niet over één nacht ijs gaan. |

