Taal- en rekenprestaties verbeteren: referentieniveaus

0

Sinds de invoering in 2010 vormen de Referentieniveaus voor taal en rekenen het Referentiekader voor het po, so, vo en mbo. Ze zijn bedoeld om taal- en rekenprestaties te verbeteren en te zorgen voor een soepele aansluiting tussen de opleidingen. Welke rol kunnen deze Referentieniveaus spelen in jouw eigen onderwijspraktijk? Daarover lees je meer in dit artikel.

Dit is een gastblog van combibaner Anja Hendriks. Naast haar baan als leerkracht in het primair onderwijs, werkt ze als leraar-ambtenaar bij het Ministerie van OCW én als leraar-onderzoeker voor het LerarenOntwikkelFonds (LOF).

Het Referentiekader voor taal en rekenen bestaat uit F(undamentele)-niveaus: de minimale basis die zo veel mogelijk leerlingen moeten beheersen en S(treef)-niveaus voor leerlingen die meer aankunnen. De referentieniveaus voor taal bestaan uit de domeinen Mondelinge taalvaardigheid, Leesvaardigheid, Schrijfvaardigheid en Begrippenlijst. Voor rekenen bestaan ze uit Getallen, Verhoudingen, Meten en meetkunde en Verbanden. Ze omschrijven over welke vaardigheden leerlingen op bepaalde momenten moeten beschikken. Zo kunnen scholen beter hun doelen stellen en het onderwijs hierop afstemmen.

Praktijkervaring

Sinds de invoering ervan is een aantal jaar verstreken. Daarom heb ik met schoolleiders, intern begeleiders, leerkrachten, onderzoekers, sectorraad po, inspectie, leerplanontwikkelaars en toetsaanbieders besproken hoe het werken met referentieniveaus (met name in het po en de aansluiting met vo) ervaren wordt, welke inzichten zijn opgedaan, en welke wensen er zijn voor de toekomst.

Hoe werken po-scholen met de Referentieniveaus?

Tweederde deel van de leraren geeft aan dat op hun school voldoende kennis over de Referentieniveaus is en dat men ze belangrijk vindt. Anderen zijn niet echt op de hoogte van de inhoud en vertrouwen vooral op de methodes. Soms worden daarin lesdoelen gekoppeld aan de Referentieniveaus, maar er zijn grote verschillen. Het is dus moeilijk te bepalen of dat vertrouwen juist is.

De Referentieniveaus zijn niet bedoeld om de ontwikkeling tijdens de basisschoolperiode te volgen, al brengen LVS-toetsen wel vanaf groep 6 wel in beeld hoever leerlingen afstaan van het einddoel (beheersing van 1F of 1S/2F eind groep 8), welke kennis en vaardigheden ze al beheersen en welke nog niet. Leraren vragen zich daarbij af hoe zij die uitkomsten het beste kunnen vertalen naar passend onderwijsaanbod: wat moet een leerling aangeboden krijgen om straks 1F of 1S/2F te halen?

Dit vraagt van leraren om vanaf eind groep 8 terug te plannen en passend aanbod, gericht op beheersing, voor de verschillende leerlingen te verzorgen. Leraren zijn veelal nog niet gewend om te denken vanuit doelen dan vanuit aanbod of activiteiten en daarbij ook bewuster na te denken over toetsen. Daarbij moeten leraren ook nog grip krijgen op hoe informatie uit de toetsen goed kan worden benut en hoe de Referentieniveaus zich verhouden tot de kerndoelen, einddoelen, vaardigheidsniveaus en de leerlijnen. Het werken met de Referentieniveaus op scholen kan versterkt worden als:

  • De overheid zorgt voor duidelijke kaders (wat) met veel ruimte voor invulling ervan (hoe), flexibiliteit in toetsing en momenten van behalen van Referentieniveaus;
  • Toetsaanbieders het analyseren van toetsdata zo makkelijk mogelijk maken voor leraren;
  • Scholen vanuit de waarom-vraag doelen stellen, zich bewust worden van toetsinformatie en de waarde van meetbare resultaten, beter zicht krijgen op de samenhang tussen Referentieniveaus, leerdoelen, leerlijnen, kerndoelen en voorkomen dat de Referentieniveaus afvinklijstjes worden.
  • En door handvatten, aantrekkelijk materiaal met voorbeelden om Referentieniveaus in te kunnen zetten en betrouwbare methodes.

Verkleinen van laaggecijferdheid

Het 1F-niveau is het minimaal te behalen niveau aan het einde van groep 8. Als een leerling dit niet bereikt, ontstaat een risico op laaggeletterdheid of -gecijferdheid. Wanneer op scholen slechts wordt toegewerkt naar dit minimale niveau, en niet naar 1S/2F wordt gestreefd, zijn er weinig ambitieuze doelen en leidt dat soms tot verschraling van het aanbod. De referentieniveaus bieden kansen om bijvoorbeeld al in groep 6 keuzes te maken om het risico op laaggeletterdheid of -gecijferdheid te verkleinen. Scholen kunnen ambitieuze doelen stellen wanneer zij:

  • Goed in beeld hebben wie hun leerlingen zijn en daarbij verwachtingen durven hebben.
  • Grip op het proces krijgen vóór een leerling in groep 8 zit; aantonen van groei koppelen aan de inhoud van de domeinen en daarbij het leerjaar loslaten.
  • Zich ervan bewust zijn dat niet halen van 1F een risico op laaggeletterd of –gecijferdheid betekent: Hoe verhoudt zich dat tot het aanbod op leerling-, groeps- en schoolniveau? hoe haal je het optimale eruit.
  • Voorkomen dat 1F de ambitie wordt: nagaan welk percentage leerlingen momenteel 1S/2F haalt en als doel stellen hoeveel hoger dat over bijvoorbeeld twee jaar moet zijn.
  • In de toekomst vanuit het nieuwe onderwijsresultatenmodel van de Inspectie naar de eindopbrengsten kijken en realistische doelen stellen en nadenken over hoe die te bereiken.

Wil je meer weten over de Referentieniveaus voor Taal en Rekenen? Bezoek Taalenrekenen.nl voor meer informatie.

Wat zijn jouw ervaringen met de Referentieniveaus? Laat een reactie achter via onderstaand reactieformulier.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here