Het is een januari zoals een januari in mijn beleving moet zijn. Koud. Sneeuw. Dagen waarop alles trager moet, behalve de beslissingen die je moet nemen als schooldirecteur.
Een flink pak sneeuw ontregelde Nederland. En daarmee ook onze vanzelfsprekende manier van omgaan met het dagelijkse. Het deed me denken aan een andere periode, rond dezelfde tijd, ook met veel sneeuw.
Ik werkte nog niet zo lang op de school waar ik nu werk. Ook toen lag alles onder een dikke laag sneeuw en opgevroren ijs. ’s Ochtends vroeg bleek het pad naar de fietsenstalling één grote ijsbaan. Tot frustratie van de conciërge, die wist: dit is geen klus die je in je eentje klaart.
Terwijl ik met hem stond te kijken naar waar hij mee bezig was, belde een collega. Ze stond vast. Een kilometer verderop had ze in een bocht nét de berm geraakt. Wielen vast in de blubber. ‘Geen probleem,’ zei ik. ‘We komen wel helpen.’
‘Trots, zeiknat en koud stapten de heren weer in de auto.’
Ik trok een paar jongens uit mijn mentorklas uit de aula en samen reden we stapvoets door de sneeuw richting de collega. Eenmaal daar zagen we dat niet alleen haar auto vaststond. Nog drie andere auto’s stonden keurig stil in dezelfde bocht.
Capuchons op. Handschoenen aan. Ademwolkjes in de kou.
‘Eigen collega’s eerst!’ zei ik tegen de jongens. Voor ze de collega uit de benarde positie haalden. Ze liepen erheen, handen tegen de achterkant van de auto, en duwden haar uit de sneeuw. Ondertussen liep ik naar de andere gestrande automobilisten. Of ze het goed vonden dat een paar leerlingen hen zouden helpen. Graag. En vooral: dankbaar.
Nog drie auto’s werden uit de sneeuw geduwd. Trots, zeiknat en koud stapten de heren weer in de inmiddels warmgedraaide auto van meneer Weeda.
Terug op school was de conciërge gestopt. Het had geen zin.
‘We hebben toch onze kleren al aan, meneer. Zullen we even?’
Al snel bleek dat het gereedschap niet geschikt was. We stapten in de auto en haalden het juiste gereedschap. Strijdvaardig, met onze wapens in de hand, verlieten we de winkel. Klaar voor de strijd.
Anderhalf uur werkten we door om het hele pad ijsvrij te maken. Met thee, chocomel en een koek. En een voortdurende stroom aan waardering van collega’s die langsliepen en bleven staan kijken. Toen ze bijna klaar waren, ging de telefoon. De overbuurvrouw.
‘We hebben geen mensen om de oprit schoon te maken. Zouden de jongens misschien … ?’
‘Meneer Weeda … ik heb de jongens bezig gezien en ik durf het bijna niet te vragen. Ik werk bij het revalidatiecentrum hier in Brielle. Ook daar is de oprit één grote chaos. We hebben geen mensen om het schoon te maken. Zouden de jongens misschien … ?’
Ik liep naar de aula. De jongens zaten daar inmiddels, rode konen, dampende jassen. Ik vertelde het verhaal.
‘Tuurlijk, meneer,’ zei de synchroon.
Met ons eigen gereedschap togen we naar het gebouw. Achter de ramen verschenen gezichten. Duimen omhoog. Een verpleegkundige kwam naar buiten met chocomel en koek. Terwijl de jongens schepten, werd er gekeken, gezwaaid, geknikt. De oprit werd in no-time schoon, maar er gebeurde meer dan dat.
Nog nooit was ik zo trots op die jongens. Maar misschien nog wel trotser op de mensen voor wie ze het deden. Wat een beloning!
Terug op school waren ze nat en moe.
‘Jongens, het is mooi geweest. Ga maar lekker naar huis.’
‘Naar huis?’ zeiden ze. ‘Maar we hebben nog les.’
‘Ik denk,’ zei ik, ‘dat jullie vandaag genoeg geleerd hebben.’

Danny Weeda is directeur van een kleine familiaire middelbare school. Hij heeft bijna twintig jaar voor de klas gestaan en staat nog steeds in goed contact met de leerlingen van zijn school. Met zijn frisse kijk op onderwijs stelt hij vaak en graag de vraag: waarom? Dat geeft mooie gesprekken en discussies die soms uitmonden in een artikel of column. ‘De wijze waarop de jeugd zich een weg baant door het leven is een eervol iets om getuige van te zijn en geeft verhalen voor het leven.’
