Sociale uitsluiting bij jongeren

0

Nederland kent een kleine groep kinderen die te maken hebben met sociale uitsluiting. Zij kunnen bijvoorbeeld niet meedoen aan sport, cultuur of voelen zich anders dan hun leeftijdsgenoten. Het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) onderzocht de oorzaken van deze sociale uitsluiting.

 

 

Het onderzoek ‘Sociale uitsluiting bij kinderen: omvang en achtergrond’ is een vervolg op de studie Kunnen alle kinderen meedoen?’ van het SCP uit 2009. Het onderzoek uit 2009 geeft een beschrijving van de verschillen in maatschappelijke participatie tussen arme en niet-arme jongeren. Het recente onderzoek zoekt naar de oorzaken van dit probleem en is uitgevoerd onder 2202 kinderen van 5 tot 17 jaar en hun ouders.

 

Sociale uitsluiting wordt in het onderzoek uitgelegd aan de hand van vier dimensies:

 

  • Onvoldoende sociale participatie: hierbij gaat het om jongeren die niet kunnen deelnemen aan verschillende sport- of culturele activiteiten, bijna niet of geen uitstapjes maken of die moeite hebben met het onderhouden van sociale contacten. Het blijkt dat 4% (is ongeveer 98.000 jongeren) van de totale groep hoog scoort op onvoldoende sociale participatie. Dit komt meer voor bij jongeren uit arme gezinnen dan bij jongeren uit niet-arme gezinnen.
  • Materiële deprivatie: de financiële tekorten die worden ervaren wanneer mensen hun eigen situatie afzetten tegen de geldende maatschappelijke standaard. Toegespitst op jongeren betekent dit dat jongeren door geldgebrek van bepaalde essentiële zaken worden onthouden, zoals nieuwe schoenen of kleding of het deelnemen aan sport. Bij ongeveer 5% van de totale groep (zo’n 127.000 jongeren) is er sprake van materiële deprivatie.
  • Onvoldoende toegang tot sociale grondrechten: bestaat uit aspecten die erop duiden dat kinderen niet leven in een veilige en prettige woonbuurt, waarin genoeg te beleven is. In deze buurten is er bijvoorbeeld sprake van veel overlast en weinig sociale cohesie. Uit het onderzoek komt dat 5% van deze groep (130.000 jongeren) onvoldoende gebruik kan maken van het sociale grondrecht op een veilige en prettige woonbuurt.
  • Onvoldoende normatieve integratie: het niet naleven van de centrale normen en waarden in de samenleving. Omdat deze dimensie niet direct van toepassing is op jonge kinderen, is deze dimensie alleen gemeten bij jongeren vanaf 12 jaar. Het gaat hier om de mate van spijbelen, pesten, diefstallen plegen, vernieling of fysiek geweld. 9% van alle 12- tot 17-jarigen (ongeveer 102.000 jongeren) voldoet aan deze criteria van onvoldoende normatieve integratie.
  • Concluderend kan gezegd worden dat bij 3% van de totale groep (61.000 jongeren) sprake is van totale sociale uitsluiting op alle dimensies. Er is in het onderzoek onderscheid gemaakt tussen een strikt genomen resultaat en een resultaat in ruime zin. Dit komt door de lichte probleemgevallen, die gemiddeld scoren binnen de vier genoemde dimensies. Wanneer deze lichte probleemgevallen worden meegenomen in het kader van sociale uitsluiting, liggen de percentages en normatieve aantallen hoger.

 

Het onderzoek richt zich ook op de oorzaken van sociale uitsluiting bij kinderen. Armoede blijkt voor een belangrijk deel de mate van sociale uitsluiting te verklaren, maar ook factoren als een niet-westerse afkomst, een eenoudergezin, ouders met een laag opleidingsniveau en ouders zonder betaald werk spelen een belangrijke rol. Om sociale uitsluiting tegen te gaan, moet er niet alleen gekeken worden naar armoede, maar ook naar de bijkomende, belangrijke factoren die een rol spelen. Er kan bijvoorbeeld extra aandacht geschonken worden aan kinderen uit eenoudergezinnen of kinderen met een niet-westerse afkomst. Sociale uitsluiting is dus geen probleem onder een groot deel van de Nederlandse jongeren, maar gespecificeerd op een bepaalde groep met bepaalde kenmerken. 

 

Download: Sociale uitsluiting bij kinderen: omvang en achtergrond (PDF)

© Trendport, 2010

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here