Leerstijlprofielgericht leren juist ook in het expeditiemodel

26

Al eerder hebben we het over het drievoudige brein gehad. Vanuit deze theorie weten we dat menselijk gedrag zijn oorsprong heeft in verschillende delen van ons brein. We weten dat de impulsen en reflexen uit ons reptielenbrein buitengewoon krachtig zijn en ons volledig kunnen beheersen. We weten dat de emoties vanuit ons zoogdierenbrein ook een grote kracht uitoefenen op ons rationele, creatieve brein.

 

En we weten ook dat dit evolutionair jonge brein ons weliswaar veel kracht geeft, maar dat we er steeds voor moeten waken dat de beide oudere breinen niet de overhand nemen.
Onze leerlingen zitten met ditzelfde storingsgevoelige informatie verwerkingssysteem. We kunnen alleen maar alles uit onze leerlingen halen als wij er in slagen het reptiel en het zoogdier niet tegen ons, maar voor ons te laten werken.

 

Emoties
Emoties lijken wel bewuste gevoelens, maar het zijn eigenlijk lichamelijke  reacties op prikkels die ons van gevaar weg moeten leiden liefst richting beloning. Van emoties zijn we ons meestal niet bewust, al zijn ze bijna constant aanwezig. Ze worden opgewekt in ons limbische systeem (zoogdierenbrein). Bij de mens is het nauw verbonden met de later geëvolueerde gebieden van de cortex. Door dit tweerichtingsverkeer kunnen emoties bewust gevoeld worden en kunnen bewuste gedachten onze emoties beïnvloeden.

 

Als een leerling bijvoorbeeld angst heeft voor een wiskundetoets, dan kan een bemoedigend woord van zijn leraar de angst doen omslaan in een mate van zelfvertrouwen. Dit zelfvertrouwen neemt dan de blokkade van zijn werkgeheugen weg en ja hoor! De toets leidt toch tot een goed resultaat. Een belangrijke les voor leraren: positieve emoties bij de leraar kunnen de negatieve emoties bij de leerling doen omslaan (spiegelneuronen).

 

Drie breinen – drie vormen van leren
1e casus: Betty ervaart haar docent Frans als buitengewoon onprettig. Zij voelt zich onveilig. Ze krijgt een hekel aan de docent Frans en aan het vak. Ze associeert de persoon van de docent met het vak Frans: een Pavlov reactie. Deze krachtige, maar primitieve vorm van leren noemen we klassieke conditionering.

 

2e casus: Betty’s vriendin is wel goed in Frans. Ze weet dat ze morgen een toets heeft. Ze weet echter van een parallelklas dat de docent deze keer de toets niet laat doorgaan. “Ik leer niet voor de toets, want hij overhoort toch niet!” Ze is niet intrinsiek gemotiveerd en wil zich alleen maar inzetten als ze ervoor beloond wordt. Dit noemen we operante conditionering.

 

3e casus: Marcel is dol op schaatsen. Hij wil weten of de weersverwachtingen gunstig zijn. Hij zoek op internet naar de Wet van Buys Ballot. Hij werkt niet voor een cijfer, maar vindt het gewoon interessant. Dit is een vorm van intelligent leren.

 

Laten we de voornaamste gevoelens en emoties die met leergedrag te maken hebben eens op en rij zetten (zie afbeelding rechts).

 

Cognitief en affectief
In deze twee artikelen over leerstijlen en leerstijlprofielen hebben we kennis gemaakt met de leerstijldimensie serialisme – holisme. We hebben gezien dat de harde, cognitieve kant wordt beïnvloed door de “softe” affectieve kant. Vaak blijkt de “softe” kant harder te zijn dan de “harde” kant. Want we kennen de woorden van mijn promotor Prof. Monique Boekaerts: “Emoties zijn de brandstof van het leren”.

 

Voor meer informatie: http://www.selectordml.nl (voor grootschalig gebruik), of http://leerstijlmonitor.nl (voor individueel gebruik).

26 REACTIES

  1. Dr. Witteman. Mijn zoon Bas van 13 zit in de brugklas. In het begin deed hij het wel goed. Maar dat werd steeds minder. Op advies van een huiswerkinstituut heeft hij een test gemaakt op leerstijlmonitor. Ik was heel verbaasd dat er zo’n goed rapport uitkwam.Het klopte precies. Hij bleek helemaal verkeerd te leren. De school geeft de leerlingen veel te veel ruimte.. Op zijn school wordt heel zelfstandig gewerkt. De kinderen zitten heel veel uren in studieruimtes. Maar volgens Bas zitten de meeste gewoon te kletsen. Uit de test bleek dat Bas hier niet kan werken. Hij had daar juist extra hulp bij nodig. Dat bleek ook uit de test. Wat me wel ongerust maakt is dat hij helemaal niet graag naar school gaat. Ik denk wel eens dat hij misschien gepest wordt. Maar hij heeft zich nog nooit op zijn kop laten zitten. Uit de test bleek dat ook, want hij heeft een hoge geldingsdrang en is niet op zijn mondje gevallen. Ik ga dit nog bespreken met het instituut. Binnnenkort zal ook een nichtje van Bas de test afleggen.

  2. Beste Annemarie,
    Ik zou zeggen, koop het boekje Gelukskunde bij van Dijks educatie en ga met Bas aan de slag. Al heel vlug wordt hij weerbaarder en is in staat zich positief te focussen op de schoolsituatie. Hoe die er ook uitziet! Niet te veel testen; daar worden jullie onzeker van. Kijk waar je talent zit en ga aan de slag. Voor tips ..mail even.
    Theo Wismans t.wismans@charlemagnecollege.nl

  3. @Annemarie. @Annemarie. Je zegt dat je zoon het aanvankelijk wel goed deed op de brugklas, maar dat het allengs minder goed ging. Dat is niet ongebruikelijk. Jongens van zijn leeftijd zitten in een Sturm und Drang periode en weten vaak niet goed raad met de veranderingen die zich binnen hen afspelen. Zeker in de onderbouw van het VO zijn leerlingen niet echt aan zelfstandig leren toe. Neem maar eens een kijkje in een studiezaal waar leerlingen geacht worden zelfstandig aan de slag te gaan. Dat kunnen ze gewoon niet. Ze zijn maar met één ding echt bezig: vriendschappen maken, groepen vormen, zorgen dat je erbij hoort en vooral ook zorgen dat je er niet uitgestoten wordt.
    Kijk eens naar dit artikel overde gelukkige brugklasser: http://www.onderwijsvanmorgen.nl/het-expeditiemodel-1b-de-gelukkige-leerling. Hier zie je een les van docent Theo Wismans. Hij doet wat nog veel te weinig docenten doen: hij reflecteert met zijn leerlingen over het leven en over geluk. Theo is een docent uit duizenden.

  4. @Annemarie. Mijn tweeling van 14 deed dezelfde leerstijlentest (Leerstijlmonitor) en de analyse was heel frappant. Mijn dochter heeft last van faalangst en we begrijpen nu veel beter hoe dat ‘werkt’. Mijn zoon heeft gebrek aan zelfsturing. Hij heeft geen idee hoe hij taken moet aanpakken en schuift daardoor veel voor zicht uit, heeft geen overzicht enz. Juist daarbij is hij goed te helpen want hij is verder een gemotiveerde leerling. Beide zijn ze voornamelijk bezig met hun sociale omgeving, school komt echt op de tweede plaats. Dat is gezien hun leeftijd normaal, maar als je dan onzeker bent over je positie in de klas, komt dat dubbel hard aan.
    Rond pesten heb ik nog een aardige tip: in de klas van mijn dochter (havo 2) wordt niet meer gepest sinds twee leerlingen zijn gevraagd om hierop toe te zien. De mentor heeft ze gevraagd omdat het beide ‘geboren leiders’ zijn en met iedereen goed overweg kunnen. De klas accepteert hun interventies, waarschijnlijk ook omdat het beide rustige meiden zijn die geen misbruik maken van hun positie, zelf meeketen als het kan en er weer mee ophouden als het nodig is.

  5. Beste Theo – Ik heb je reactie gelezen op de bijdrage van Annemarie. Zij heeft haar zoon Bas laten testen met behulp van een door mij aanbevolen en gevalideerde test. Je zegt dat testen angstig maken. Dat ben ik niet met je eens. Alleen summatieve testen zoals proefwerken en examens maken angstig, omdat die kunnen uitlopen op een slecht cijfer. En omdat maar weinig scholen met het expeditiemodel werken (durven werken) is het mogelijk dat leerlingen falen ook als ze zich ingezet hebben. Daar, Theo, zit de achilleshiel van het onderwijs. Kinderen worden niet alleen beoordeeld, maar ook veroordeeld. Daarom zijn ze angstig. Daarom is testen in de vorm van assessment, in de vorm van een diagnose stellen zo belangrijk. In het leerstijlprofiel kun je aflezen waar de emotioneel zwakke en sterke plekken van de leerling zitten. Een professionele deskundige kan uit de combinatie van factoren nog veel meer halen. Daar wil ik je wel eens over komen vertellen. Nodig me maar uit, ik woon maar 12 km van jouw school. Groet, Henk

  6. Beste Henk,

    Als je het zo beschrijft ga ik met je mee. Als de testgegevens beschikbaar zijn is het de kunst de conclusies te focussen op een plan van aanpak voor de leerling, de ouders en de school. Als dat mooi wordt afgestemd is dat super. Heeft veel gevolgen voor een school. De houding van de docent die echt helper moet zijn, vaak buiten zijn vak om.
    De afgelopen maanden ben ik met een oud leerling en een leerling vrij non conformistisch aan de slag gegaan. De resultaten zijn verbluffend.
    Een kleine toelichting:
    Ik werk met een jongere die door omstandigheden in een verkokerd gedrag was beland. Je zag duidelijk vluchtgedrag in de vorm van absurde inspanningen . Dat ging helemaal fout. Ik heb in een confronterend gesprek de jongere duidelijk gemaakt tot directe aktieover te gaan. Tijdens zijn sporten kreeg de jongere de opdr 5 foto’s te maken van een mooi landschap en daar zijn gedachten bij te zetten. Was al genoeg.. de koker sprong open en we zijn nu tot een volledig mooi discours gekomen. De jongere heeft zijn sport gestopt, heeft een nieuwe baan, verkering , gaat stappen en is gelukkig. Gewoon dus een gerichte aktie en de oef uit het boekje Geluskunde.
    Klaar is Kees.

  7. Beste Theo. Prachtig. Je weet dat ik je opvattingen over gelukskunde met je deel. Ik heb het niet voor niets opgenomen in het expeditiemodel. Ons doel moet zijn de talenten van leerlingen tot volle bloei te brengen. Hiervoor is niet alleen kennis nodig van de cognitieve mogelijkheden van leerlingen, maar ook van de affectieve mogelijkheden EN GEVAREN. En ik ben het met je eens dat hiervoor liefde en geluk nodig zijn, want ik citeer weer mijn promotor en internationale topwetenschapper prof. Monique Boekaerts: EMOTIES ZIJN DE BRANDSTOF VAN HET LEREN.En vergeet me niet een keer uit te nodigen. Groet, Henk

  8. Beste Annemarie

    Fijn voor Bas en jou dat jullie meer inzicht krijgen in de leerproblemen van Bas door de leerstijlmonitor. Je schrijft dat uit de test blijkt dat de huidige manier van leren van je zoon helemaal verkeerd is. Ik ben meteen nieuwsgierig naar de leerstrategie die hij gebruikt weet je daarover ook meer op basis van de test?
    Probeert hij alles goed in zijn hoofd te stampen om bij een proefwerk of overhoring een goed cijfer te halen? Zover ik bekend ben met leerstijlen wordt dit memoriserend leren genoemd. Dat lijkt me ook niet gemakkelijk als iedereen om je heen gewoon zit te kletsen. Daarnaast is het ook geen effectieve leerstijl omdat deze alleen gericht is op een goed cijfer als eindresultaat. Hierover kan Henk Witteman je vast meer vertellen.
    Annemarie ik hoop dat je zoon binnenkort weer met plezier naar school gaat. Houd je ons op de hoogte van de verdere ontwikkelingen?

  9. @Francine Hendriks en Annemarie.Als een leerling vooral gericht is op memoriserend leren dan gebruikt hij een leerstrategie die gericht is op de korte termijn. Waarom korte termijn? Hij wil gewoon een goed cijfer halen. Deze vorm van leren wordt dan ook vaak het “lege vaten model” genoemd. Je gooit het vat vol (met informatie), je gooit het vat leeg (bij de toets) en de kennis is verdwenen. Kennis kan eigenlijk alleen in abstracte vorm worden onthouden. Het probleem dat hier om de hoek komt kijken is dat iedereen kennis op zijn eigen wijze in zijn brein opslaat. Als dat is gebeurd, dan is de kennis onderdeel van je kennisbestand geworden. Je hebt het dan zelf geconstrueerd. Deze kennis kun je wel onthouden. Het is net als met Franse woordjes leren. Als je ze geleerd hebt, kun je ze niet zomaar vlot gebruiken. Je moet ermee gaan oefenen (spreken), daarna worden ze pas echt in je vocabulaire opgenomen. Dat is ook het probleem van de leraar. Als hij iets uitlegt, dan legt hij het uit op de wijze waarin de kennis bij hem is opgeslagen. Dat kunnen leerlingen niet zo maar overnemen. Misschien snappen ze het wel, maar daarna moet verwerking plaats vinden. Dit kan via oefeningen, klassediscussies, ptojecten. Als dit in voldoende mate is gedaan wordt de kennis uiteindelijk operationeel.

  10. @henk. Nu zit ik toch met een vraag waarop ik hoop dat jij antwoord kunt geven:
    Hoe komt het dat het g:brek aan zelfregulatiie bij leerlingen in de onderbouw wordt gecompenseerd door de behoefte aan extarne sturing? En waarom is dit in de
    bovenbouw precies andersom?

  11. @Jan Steenhuis. Het is voor docenten beslist belangrijk te weten waarom leerlingen in de onderbouw laag scoren op zelfregulatie (interne sturing) en hoog scoren op externe sturing.. Ik wil je wijzen op dit artikel over de theorie van Robert Kegan: http://www.onderwijsvanmorgen.nl/het-volwassen-brein-5. Deze beroemde ontwikkelingspsycholoog gaat ervan uit dat het bewustzijn van mensen groeit doordat ze steeds meer van zichzelf (subject) kunnen objectiveren. Met andere woorden ze leren naar zichzelf te kijken en te reflecteren. We noemen dit de verschuiving van subject naar object. Kinderen van 12 – 15 jaar kunnen nog mar heel moeilijk naar hun eigen gedrag kijken en hierover nadenken. DAAROM IS ZELFSTANDIG LEREN VOOR DEZE KINDEREN ONMOGELIJK. Zij hebben hulp van anderen nodig die hun doelen helpen bepalen, de tijd in de gaten houdt, de leerstrategieën helpen bepalen. We noemen dit externe sturing. Leerlingen die laag scoren op interne sturing EN op externe sturing noemen we STUURLOOS. Naarmate een leerling ouder wordt verschuift steeds meer subject naar object, Hij heeft dus steeds minder hulp van derden nodig. Pas zo rond 22 jaar bereiken de meeste leerlingen/studenten de volwassenheid en zijn ze in staat hun leerprocessen zelf aan te sturen. Hier Jan ligt de voornaamste oorzaak van een falend schoolsysteem. Veel van onze leerlingen worden gewoon in de streek gelaten.Denk in dit verband aan de onderwijsregimes I, II en III van Monique Boekaerts.

  12. De leerstijlentest is bedoeld om een kind te helpen ontdekken hoe hij beter, makkelijker, succesvoller leert. Het maken van de test geeft geen stress want er hoeft niets ‘moeilijks’ gedaan te worden. Mijn kinderen waren beiden heel nieuwsgierig naar de uitkomst en konden zich er goed in vinden. Intelligentietests zijn naar mijn mening totaal niet zinvol op deze leeftijd (en dat is inmiddels ook bewezen), maar de leerstijlentest geeft juist houvast.

  13. Beste heer Witteman,

    Momenteel ben ik bezig met het schrijven van een essay betreft leerstrategieën binnen het van Lichamelijke Opvoeding op de middelbareschool. Op de site “onderwijsvanmorgen” heb ik uw mailadres gevonden en ben erg geïnteresseerd naar uw schema. Wilt u zo vriendelijk zijn dit naar mij te mailen?

  14. @Corinne. Je maakte een belangrijke opmerking over de zin van IQ tests. Ik wil daar hier even op ingaan naar aanleiding van recent wetenschappelijk onderzoek:

    Volgens Onderzoek gesponsord door de Welcome Trust van de Universiteit Londen kan intelligentie tijdens de adolescentie sterk variëren. Deze variatie wordt veroorzaakt door veranderingen in de structuur van ons brein.
    We hebben altijd gedacht dat ons intellectueel vermogen stabiel blijft. Wanneer eenmaal het IQ is vastgesteld, denken we dat de uitkomst ons hele leven bij ons blijft.
    De onderzoekers testten onder leiding van Prof. Cathy, 33 gezonde adolescenten in 2004 toen ze in de leeftijd waren van 12 – 16 jaar. Vier jaar later werd de test herhaald. In beide gevallen keken de onderzoekers naar de structuur van hun hersenen met behulp van MRI.
    De onderzoekers vonden in 2008 belangrijke veranderingen in de IQ scores vergeleken met 2004. Sommige adolescenten waren wel 20 punten gestegen op de gestandaardiseerde test, terwijl andere evenveel punten waren gezakt. Om te zien of deze verschillen betekenisvol waren, analyseerden de onderzoekers met MRI scans om te zien of deze veranderingen samenhingen met de structuur van de hersenen van de geteste adoloescenten.
    Een stijging van het verbale IQ hing samen met een toename in de dichtheid van grijze stof. Dit zijn de zenuwcellen waar informatieverwerking plaats vindt. Dit gebeurt in een gebied van de linker motor cortex die wordt geactiveerd door spraak. Op dezelfde wijze correleerde een stijging van de niet-verbale IQ score met een toename van de grijze stof in het cerebellum anterior dat zich voor in de kleine hersenen bevindt’. Dit deel van de hersenen wordt geassocieerd met bewegingen van de hand. Echter, een stijging van het verbale IQ bleek niet noodzakelijkerwijs hand in hand te gaan met een stijging van het non-verbale IQ.
    Volgens Prof. Price is niet duidelijk waarom het IQ zo was veranderd en waarom de prestaties van sommigen toenamen, terwijl die van anderen afnamen. Het kan iets te maken kunnen hebben met het fenomeen vroegbloeiers en laatbloeiers. Maar het stijgen of dalen van IQ zou ook een gevolg kunnen zijn van onderwijs en dit zou gevolgen kunnen hebben voor het beoordelen, toetsen van schoolkinderen.

  15. Dr. Henk Witteman vroeg mij om mijn verzoek voor een advies over leerstrategieën nader toe te lichten. Ik heb hem het volgende gemaild:

    Beste Henk,

    Dank voor je reactie, ik zal mijn ideeën wat meer specificeren. Het vak LO staat
    voor Lichamelijke Opvoedingen en niet voor Lichamelijke Oefening. Vanuit de
    veranderende visie dient er een nieuwe legitimering opgesteld te worden. Mijn visie
    op LO heeft als kenmerk dat sport niet het doel is maar dat sport een middel is. Een
    middel tot opvoeding. Welke opvoeding? Op de eerste plaats staat het sporten
    centraal, niet de verenigingssport zoals wij die kennen in de beweegcultuur, maar de
    beleving binnen sport, plezier in bewegen is de voorwaarde om een leven lang actief
    en structureel deel te nemen aan de beweegcultuur. Daarnaast staat socialisatie hoog
    op de lijst. Binnen sportlessen komen vaak sociaal kritische situaties naar voren.
    Waarom ben ik dan geïnteresseerd in leerstrategieen? Welnu, om kinderen optimaal te
    stimuleren is het belangrijk dat ieder individu op een passende wijze wordt
    benaderd. Vanuit dat oogpunt dient een leraar er vanuit te gaan dat ieder kind
    anders leert, zo ook bij de gymlessen. Wanneer een gymles geoptimaliseerd wordt moet
    hier rekening mee gehouden worden, vandaar mijn vraag. Ik zal een poging doen om een
    brug te slaan tussen de leervlakken en naar een praktische vakken zoals de gymles.
    Leren motiveren is mijns inziens een kwaliteit van de docent. Maar als daar schema’s
    en andere theorieën voor beschikbaar zijn houd ik mij warm aanbevolen.
    Hopelijk is dit voldoende onderbouwing,
    Groeten Arno

  16. @Arno Smet – Je schrijft: “ Binnen sportlessen komen vaak sociaal kritische situaties naar voren. Waarom ben ik dan geïnteresseerd in leerstrategiëen? Welnu, om kinderen optimaal te stimuleren is het belangrijk dat ieder individu op een passende wijze wordt benaderd. Vanuit dat oogpunt dient een leraar er vanuit te gaan dat ieder kind anders leert, zo ook bij de gymlessen”- einde citaat.
    Ik heb je toegezegd je te ondersteunen bij je essay. Ik wil dit stukje bij beetje doen. Waarom? Het is leerzaam voor ons allemaal. Bovendien weet je dat ik OVM binnenkort ga verlaten. Na 4 jaar en ca 150 artikelen wil ik een nieuwe weg inslaan en wat is bij wijze van afsluiting mooier voor mij dan adviezen geven over leerstijlen, leerstrategieën en leertactieken het onderwerp van mijn dissertatie? En met de lezers in gesprek te gaan?
    Het lijkt me voor de hand liggend eerst in te gaan op je citaat. Je vindt dat een leraar er vanuit dient te gaan dat ieder kind anders leert. Dit is zonder meer waar. Dat leert ook de dagelijkse onderwijspraktijk. Maar daarmee zijn we er niet. Weten we eigenlijk wel hoe iedere leerling leert? Kennen we de positieve krachten die leerlingen motiveren en de negatieve die hem tegenhouden? Kortom kennen we het leerstijlprofiel van iedere leerling? Nee, zul je zeggen, dat kennen we niet. Gelukkig is dit geen bezwaar als docenten leerstijlen en leerstijlprofielen herkennen en weten hoe ze ermee om moeten gaan. De vraag die zich dan aandient is: “Kent de docent zelf zijn eigen leerstijl(profiel) wel”? Iedere docent geeft les, legt de lesstof uit, en beoordeelt van zijn eigen persoon. En…nu citeer ik een stelling uit mijn eigen proefschrift …”hoe duidelijker een docent uitlegt, hoe minder de leerling begrijpt”. Hoe kan dat? Ieder mens slaat kennis op een eigen wijze op. Kennis wordt opgeslagen in neurale netwerken samen met andere informatie. Daarom kan kennis niet “overgedragen” worden. Kennis moet “bewerkt” worden totdat die uiteindelijk begrepen wordt. Als een leraar de kennis “overdraagt” en hij heeft een holistische leerstijl, dan heb je alle kans dat leerlingen met een serialistische leerstijl er niets van begrijpen. Wat gaan ze dan waarschijnlijk doen? Ze gaan de kennis uit hun hoofd leren. “Mevrouw, u overhoort toch wel letterlijk?” Dan halen ze in ieder geval een goed cijfer, ook al hebben ze de leerstof niet of onvoldoende begrepen. Gelukkig staan er 15 artikelen over leerstijlen op deze site. Als je een keer niets te doen hebt..!?! Lezers die willen reageren zijn van harte welkom.

  17. @Arno Smet – ik vervolg nu mijn advies over leerstrategieën vcoor het vak LO. Ik denk dat het verstandig is voor het essay dat je uiteenzet dat je doelen hebt op korte termijn en op lange termijn. Doelen bepalen de richting van je curriculum en voorkomen dat je onderweg verdwaalt. Arno, jouw vak leent zich voor een groot aantal uiterst belangrijke doelen. Hoe ziet jouw publiek eruit? Wie bevolken jouw klassen? Volgens E. Crone en M. Westenberg doorlpen je leerlingen de volgende stadia:
    zelfbeschermende stadium (10–13 jaar) willen ze vooral zélf dingen regelen en menen ze zichzelf te kunnen beschermen. Er is een betere zelfcontrole op emoties en een algemeen gevoel van onaantastbaarheid. De relaties worden meer opportunistisch en instrumenteel. Kenmerkende reactie bij kritiek is dat het kind ontkent dat die kritiek hem raakt. Het betaalt met gelijke munt terug.
    Het conformistische stadium (13–17 jaar) is veel meer socio-centrisch. Aanpassing aan de peer-group is van groot belang. Dat kan een groep zijn met heel uitzonderlijke kenmerken en uitingen. Conformistisch moet hier dan ook niet gelezen worden als ‘conventioneel’. Gelijkheid binnen de groep is belangrijk en relaties moeten wederkerig zijn. Het moet vooral leuk zijn om met elkaar om te gaan. In dit stadium trekt men zich kritiek aan en trekt er lering uit.
    Het zelfbewuste stadium (18–22 jaar) ‘Ik ben zoals ik ben’ In dit stadium is men meer naar binnen gericht, op eigen gevoelens, ideeën etc. Die waardering voor het eigene geldt ook voor de ander, tolerantie is in dit stadium een toverwoord. Het gaat meer om persoonlijke relaties dan om groeps¬relaties. In dit stadium is men beducht voor beïnvloeding. ‘Zelfbewust’ moet overigens niet worden verward met ‘zelfverzekerd’. Vaak voelen kinderen en jongeren in dit stadium zich eenzaam. Van kritiek wordt de jongere onzeker, maar hij wil zich niet aanpassen.
    Het is belangrijk dat je je van deze stadia bewust bent. Op de site van onderwijsvanmorgen vind je ca 10 artikelen die al deze stadia doorlopen. Ze geven je inzicht in de eigenaardigheden van elke fase en hoe je ermee moet omgaan.

    Laat is eens een poging doen om langetermijndoelen voorhet vak LO te formuleren en daarbinnen kortetermijndoelen te realiseren:
    1. gezond lichaam
    2. evenwichtige persoonlijkheid
    3. gezonde en creatieve geest

    ad 1: goede voeding, veel beweging, geen roken, geen alcohol, geen drugs. Goede voeding en veel beweging zullen geen probleem zijn. De meeste kinderen van die leeftijd bewegen graag, Maar de leeftijd van 12 jaar (brugklas) is cruciaal. De leerlingen staan vlak voor de conformistische fase. Ze maken zich los van hun ouders en richten zich naar buiten, naar leeftijdsgenoten. Nu gaan vrienden belangrijk worden. Ja, zelfs van levensbelang. Om zich veilig te voelen willen ze aansluiting vinden bij een vriendengroep. In deze groep bevinden zich leiders (hoge geldingsdrang, zie leerstijlmonitor). Deze gaan voor de groep bepalen welk gedrag stoer is, wenselijk is. Hier kunnen sigaretten en alcohol hun intrede doen.We hebben in dit artikel gezien dat mensen geregeerd worden door 3 breinen. Veiligheid wordt vooral gezocht door de hersenstam (reptielenbein). Wat kunnen we inzetten tegen roken en drugs? Vertel de leerlingen dat rokers gemiddeld 16 jaar eerder sterven. Dit zal enige, zij het weinig indruk maken. Wat maakt het nou uit wanneer je doodgaat als je zelf 12 bent, op je 60e of op je 80e? Dan vertel je dat de intelligentie lijdt onder roken en alcohol. Je wordt dommer, je bent een loser. Dat laatste zal hard aankomen, want je wilt zeker geen loser zijn en ergens onderaan in de hërarchie terecht komen. Het wordt nog erger als je ze vertelt dat de vrouwelijke eicellen en de mannelijke zaadcellen er eronder leiden en dat dit zal leiden tot een mindere kwaliteit nageslacht. Vertel dit vooral in gemengde klassen. Rokers worden dan minder aantrekkelijk voor het andere geslacht en dat begint nu net belangrijk te worden. Maar vooral, sportleraren, probeer de leerlingen enthousiast te maken voor een sport. Ze zijn bezig met hun ego-ontwikkeling, willen opvallen door prestaties en zullen veilig zijn voor sigaretten, aslcohol en drugs zolangs ze sportief willen presteren. Ik sport al een heel leven lang intensief en ik kan u zeggen dat door sportmensen niet of nauwelijks wordt gerookt, er weinig alcohol wordt gebruikt en ook geen drugs.
    (wordt vervolgd)

  18. @Henk Witteman. Zeer nuttige informatie, met name de verschillende leerstadia zetten mij aan het denken. Met name het tijdstip waarop de gezondheidsboodschap die wordt gegeven betreft roken. Als ik naar mijzelf kijk besteed ik er pas aandacht aan op het moment
    dat het te laat is, als leerlingen al met een peuk in hun snuit staan. Ik ga hier iets mee doen, waarschijnlijk in het blok gezond bewegen aan het einde van de eerste
    klas.

    Betreft de langetermijndoelen vind ik het erg belangrijk om het doel van het vak niet te legitimeren vanuit gezondheidsperspectief, maar vanuit ontwikkel- en
    opvoedkundig perspectief. De doelstelling van LO bij ons op school luidt: Het voorbereiden van kinderen op een actieve, structurele deelname aan de
    beweegcultuur, met het oog op socialisatie en persoonlijke leerstijl. wanneer LO vanuit het gezondheidsperspectief wordt gelegitimeerd (in mijn ogen een compensatiewaarde) gaat het vak volledig mee in de fitnesstendens die momenteelwordt gecreëerd door gezondheidsinstanties verliest het zijn kracht omdat het dan puur en alleen lichamelijk wordt bekeken. Daarbij komt dat een gymles vrij weinig bijdraagt aan het fitheidsniveau / algemene conditie van de leerlingen. Natuurlijk is gezondheid belangrijk, daarom wordt er deelname aan de beweegcultuur nagestreefd.
    Wanneer dit wordt bereikt heeft dat wel degelijk invloed op iemands fitheid. Zie ook het hoofdstuk Nederlandse beweegcultuur in mijn essay.
    De andere twee doelen sluiten volledig aan bij mijn visie, een evenwichtige
    persoonlijkheid en een gezonde en creatieve geest. Zie ik hier aikido doelen terug? OPMERKING HW: Ik heb arno verteld dat ik DAN-graden heb in jiu jitsu en Aikido)
    🙂

    Erg fijn dat je met me mee denkt, ik ben zeer benieuwd naar het vervolg, wellicht leuk om een keer telefonisch contact te hebben hierover.
    Sportieve groeten, Arno

  19. @Arno Smet. Naar aanleiding van onze discussie over het gebruik van tabak, alcohol en drugs door kinderen, wil ik nog het volgende opmerken. Ik word hiertoe geïnspireerd omdat gisteren berichten kwamen dat de tabakslobby alle krachten inzet om te voorkomen dat de Tweede Kamer strengere wetten aanneemt om het roken onder kinderen te voorkomen. Het is goed te weten dat Minister Schipper van nota bene Volksgezondheid ook nicotine aan haar handen heeft. Ook zij heeft relaties met de tabakslobby.
    Waarom zijn onze kinderen geen partij voor de tabakslobby? Dat heeft te maken met ons brein. In onze hersenstam komen verslavingen tot stand. Ik citeer nu even mezelf uit een tekstje over het reptielenbrein.
    “Ons oudste brein, dat vooral bestaat uit de hersenstam, hebben we gemeen met de reptielen. Dit brein is volgens MacLean zo’n 500 miljoen jaar oud. Het heeft een beperkt, maar zeer krachtig leervermogen dat we klassieke conditionering noemen. Verder wordt vanuit dit brein het voortbestaan van het individu en van de soort gereguleerd door middel van het ademhalen, het verteren van voedsel en seksualiteit. Dit brein is cognitief impenetrabel, wat betekent dat het nauwelijks toegankelijk is voor de neocortex (het deel van de hersenen dat betrokken is bij hogere functies als bewuste bewegingen en redeneren) en de vrije wil. Verslavingen, zoals roken, bevinden zich ook in dit brein. Daarom is het zo moeilijk om van het roken af te komen.” Einde citaat. Er is gewoon geen sprake meer van VRIJE WIL. Kinderen gaar roken en drinken onder GROEPSDRUK. Daar kunnen ze bijna geen weerstand aanbieden in de leeftijd van 12 tot 15 jaar. En dan is het leed geschied. ZE ZIJN VERSLAAFD. De verslaving een sigaretten is nog sterker dan die aan cocaïne. Wist je dat de neiging tot verslaving op de sporen is via het leerstijlprofiel?

  20. Wist je dat de neiging tot verslaving op te sporen is via het leerstijlprofiel? Deze informatie is nieuw voor mij Henk. Kun je daar iets meer over vertellen?

  21. @Francine Hendriks. Je vraagt of de neiging tot verslaving binnen het leerstijlprofiel is waar te nemen? Nee, de neiging tot verslaving kan niet worden waargenomen via het leerstijlprofiel. Maar wat je wel kunt constateren is of een leerling gevoelig is voor groepsdruk. Ik heb al enkele van deze gevallen meegemaakt. Voorbeeld: Als een leerling hoog scoort op toetsangst en laag op zelfvertrouwen en tegelijkertijd heel laag scoort op motivatie omdat hij het niet prettig vindt op school en bovendien zeer laag scoort op geldingsdrang dan bestaat er een flinke kans dat hij (of zij n natuurlijk) gepest wordt en/of zich niet te weer kan stellen tegen groepsdruk. Een leerling van 12/13 jaar in het conformistische stadium, zal alles doen om bij een groep te mogen horen, is gevoelig voor groepsdruk en loopt dus het gevaar van roken, drank en drugs . Als ik dit soort scores zie, ga ik altijd in overleg met de ouders.

  22. @Henk Witteman bedankt voor het snelle antwoord Henk. Naast vakkennis en kennis van het leerstijlprofiel moeten docenten dus ook coachingsvaardigheden hebben om leerlingen goed te begeleiden. Boeiend van docent zijn!

  23. @Arno Smet. Ik vervolg n u de discussie met de langetermijndoelen Je schrijft dat het doel van de school zich richt op socialisatie en persoonlijke leerstijl. Dit laatste begrijp ik niet zo goed. Bedoel je misschien leefstijl? Onder socialisatie versta ik leeftijdsgerelateerde groei zoals ik die genoemd heb bij de stadia van Crone en Westenberg. Ik vat ze hier nog even samen:
    • Impulsief 6–9 jaar
    • Zelfbeschermend 10–13 jaar
    • Conformistisch 13–18 jaar
    • Zelfbewust 18–22 jaar
    • Verantwoordelijk vanaf 23 jaar
    Bedenk wel dat deze stadia autonoom verlopen. Je hoeft de leerlingen dus niet richting de verschillende stadia te leiden. Daar komen ze zelf wel. Het is wel belangrijk rekening te houden met het stadium waarin de leerlingen verkeren. Soms ook blijven leerlingen achter of zie je resten van een vorig stadium. Bekend is natuurlijk impulsief of zelfbeschermend. Als een ouder kind verschijnselen van een voorafgaand stadium vertoont kun je er hem of haar wel op aanspreken. Volgens de theorie van Robert Kegan (ontwikkelingspsycholoog) is een kind in staat te reflecteren op een voorafgaand stadium en niet op het huidige stadium. Het huidige stadium maakt namelijk deel uit van het subject (zichzelf) en nog niet tot object (buiten zichzelf). Dat klinkt wat ingewikkeld. Als je er meer van wilt weten (dat geldt ook voor de lezers) stal me dan de vraag via deze site of email.

  24. @Dr. Henk Witteman – waarom wij op de persoonlijke leerstijl gaan zitten heeft alles te maken met de SDT theorie,
    Deze theorie gaat uit van verschillende motivatievormen. wanneer een leerling een voor hem passende onderwijsvorm aangeboden krijgt heeft dit een direct positief effect op hoeveelheid leerstof die wordt opgenomen/ onthouden. vandaar dat die persoonlijke leerstijlen zo hoog in het vaandel staan. om beleving en leerwinst te vergroten.
    > Betreft de socialisatie, daarin komt het sport als middel-theorie om dehoek kijken. Tijdens sportlessen vindt het merendeel van de pedagogische interactie plaats op het vlak van sociaal of asociaal gedrag. op die
    laatste wordt natuurlijk gecorrigeerd. we leiden de leerlingen door deze fases heen. Ik kan beamen dat een leerling niet kan reflecteren op het huidige stadium, en daar ligt het doel. de leerling leert op zijn eigen
    gedrag terug te kijken met een waardeoordeel, goed of fout.
    Hopelijk wordt met deze onderbouwing de onduidelijkheid weggenomen. kun jij je hierin vinden, of zeg je Arno, op deze manier is het de doelstelling
    > niet goed te verantwoorden?
    > Het komt er tijdens mijn drukke dagen steeds maar niet van om even rustig de tijd te nemen om te bellen, Ik ga proberen om volgende week een belletje
    > te plegen zodat we de leerstijlentest kunnen bespreken.
    > Groeten Arno

  25. @Arno Smet – Ik heb je per mail een beknopt strategisch motivationeel plan toegestuurd. De3 vormgeving is niet geschikt voor het onderdeel “reacties” van OVM. Hier heb ik nog een aanvullende tekst:

    Wat betreft de wisselwerking tussen motivatie van de docent en de leerlingen kan dit eenvoudig samengevat worden in de volgende stelling: de resultaten van leerlingen zijn het gevolg van de verwachtingen van leraren. Leraren die als grondhouding hebben dat zij de mogelijkheden van hun leerlingen positief beoordelen halen hogere resultaten met hun leerlingen dan leraren die negatief naar hun leerlingen kijken (“Ik vind die VMBO leerlingen maar dom”). De vraag die wij hier mogen stellen is: moeten leerlingen door leraren die een positieve grondhouding ten opzichte van hen hebben nog gemotiveerd worden tot betere prestaties?
    Volgens onderwijskundige R.K. Sprenger in zijn boek De Motivatie Mythe (1996) is het antwoord op deze vraag ontkennend: “Het systeem van de motivering is gemethodiseerd wantrouwen. Mensen die menen anderen te moeten motiveren doen dat omdat zij een leemte veronderstellen of waarnemen tussen daadwerkelijke en mogelijke prestaties”. Leraren die in hun leerlingen geloven gaan er echter van uit dat deze leemte er niet is. De positieve grondhouding van hun leraren wordt bewust of onbewust waargenomen door hun leerlingen. Omdat deze houding bijdraagt aan een prettige relatie, beantwoorden leerlingen ook weer bewust of onbewust deze houding door aan de verwachtingen te willen voldoen, dus door zich in te zetten.
    Essentieel voor het verschijnsel van motiveren is dus dat het asymmetrisch is. Het wordt toegepast van boven naar beneden in de organisatie. Op de meeste scholen zul je zien dat de schoolleiding tracht de leraren te motiveren en niet andersom. Hiervoor kunnen diverse controlesystemen worden ingezet. Deze controlesystemen hebben de impliciete boodschap dat de leidinggevenden niet geloven dat (een deel van) de leraren leveren waarvoor zij worden betaald. Net als de leerlingen hierboven reageren leraren hier bewust of onbewust op. Zij gaan zich afzetten tegen de schoolleiding. Deze wordt hun natuurlijke vijand. Gevolg: er ontstaat een stammen-strijd binnen de school die niet alleen ten nadele is van de medewerkers, maar vooral ook van de leerlingen.
    Sprenger adviseert daarom de “span of control” te vervangen door de “span of trust”. Hij adviseert een vlakke organisatie met duidelijke, gedeelde, fundamentele waarden. Waar leiding en medewerkers elkaar vrijelijk en met respect kunnen aanspreken op de dingen die fout gaan. Waar beloningen worden gegeven is de vorm van (openlijke) complimenten. Want wij weten dat een compliment, een schouderklopje, een meer permanente hormonale verandering teweeg brengt dan bijvoorbeeld geld.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here