Leerstijlgericht leren ook in het expeditiemodel

24

De mens is een complex, storingsgevoelig en gecompliceerd informatieverwerkingssysteem. Dat blijkt wel uit het filmpje hiernaast. Iedere student geeft aan dat hij of zij een favoriete manier heeft van kennisverwerving. Hoe complex dit ligt in de dagelijkse schoolpraktijk, illustreer ik aan de hand van een voorbeeld dat iedere docent zal herkennen.

 

Het is dinsdagmorgen, het derde lesuur begint: Collega Jan van der Weijden, docent natuurkunde gaat welgemoed naar zijn 3 vmbo-t klas. Hij voelt zich prettig, want hij heeft gezellig wat kunnen babbelen tijdens de koffiepauze. Bovendien heeft hij dit jaar een plezierige 3 vmbo klas.

Hij zal het in de les gaan hebben over een van zijn favoriete onderwerpen: de Wet van Buys Ballot.
Het is begin februari en het is erg koud. Er wordt zelfs gesproken over een Elfstedentocht. Jan heeft zich bij zijn voorbereiding op de les daarom voorgenomen deze tocht bij de les te betrekken. Hij weet immers dat er nogal wat schaatsliefhebbers in de klas zijn. Zoals altijd begint hij met het vermelden van zijn leerdoel en het activeren van voorkennis volgens de zevensprong.

 

Emoties zijn de brandstof van het leren
Jan focust direct op de actualiteit: de Elfstedentocht. Hij weet immers dat emoties de brandstof van het leren zijn (Boekaerts, M. 2005). Jan krijgt dan ook onmiddellijk de aandacht van de klas. Ja, ze begrijpen dat de wind uit het noorden of oosten moet komen, want “daar komt de kou vandaan.” Nee, niet uit het zuiden of westen, “want daar is het niet koud genoeg.”

 

Tijdens de daaropvolgende instructie tekent Jan een mooi schema op het bord. Enthousiast vertelt hij over het verband tussen luchtdruk en wind en tussen de afwijking naar rechts op het noordelijk  halfrond en naar links op het zuidelijk  halfrond door de draaiing van de aarde.

 

Aan het einde van zijn betoog kijkt Jan tevreden rond. Dit was toch een prachtige uitleg. Dit moet iedereen wel begrepen hebben. Dan steekt een meisje haar vinger op: “Meester, ik snap het niet.” Ook sommige andere leerlingen zeggen dat ze het niet helemaal begrepen hebben. Dus legt Jan het nogmaals uit in dezelfde woorden, maar ongemerkt wat harder.

 

Botsing van leerstijlen
Maar wat is nu het probleem? Jan denkt in schema’s en grote lijnen. Hij is een holist. Hij vindt zijn manier van denken volkomen logisch! Sommige leerlingen (en ook leraren) bouwen kennis echter stukje bij beetje op. Zij zijn serialisten. Dat vinden zij ook volkomen logisch! Holisten maken vooral gebruik van hun rechterhersenhelft, terwijl serialisten vooral hun linkerhersenhelft inschakelen. Het gaat dus om links of rechts.

 

Holisten beginnen met het grote geheel en vullen daarna ‘de rest’ in. Serialisten concentreren zich daarentegen op details en bouwen hun kennis geleidelijk op. Beide groepen doen dit spontaan. Het zijn dus spontane leerstijlen. Omdat bijna iedere leerstijl plus- en minpunten heeft, is het belangrijk dat docenten hun eigen leerstijl kennen en die van hun leerlingen kunnen herkennen. Zij kunnen hun leerlingen dan wijzen op de min- én de pluspunten van hun leerstijl. Deze kunnen hun leerstijlen dan proberen aan te passen. We spreken dan niet langer van spontane leerstijlen maar van geïnduceerde leerstijlen.

 

Bekijk nog eens het schema van leerfuncties, leerstrategieën en leertactieken dat bij bepaalde leerstijlen wordt gebruikt.

 

Tot slot
De vraagt rijst: Zijn leerstijlen meetbaar? En wat kun je ermee? Is het belangrijk de leerstijl van een leerling te kennen?

 

Het is niet per se nodig dat een docent de leerstijl van iedere leerling kent. Het is wel handig als docenten weten dat er meerdere leerstijlen zijn en hoe zij deze dan kunnen herkennen. Ze kunnen dan beter reageren op de reacties van hun leerlingen en ze beter begeleiden. Er zijn twee gevalideerde leerstijlentests beschikbaar waar u nog meer informatie vindt:

 

Voor scholen die grote aantallen leerlingen willen testen en daarvoor ook getraind willen worden: selectordml.nl.. Het afnemen van de test kost maximaal 20 minuten. Voor ouders, huiswerkinstituten en adviesbureaus die op kleine schaal leerlingen willen testen en voldoende kennis in huis of ter beschikking hebben: leerstijlmonitor.nl. Het afnemen van deze test kost 20 tot 30 minuten.

 

Henk Witteman

 


        

24 REACTIES

  1. Aan de lezers.
    Roger W. Sperry’s Nobel Lecture was held on 8 December 1981, at Karolinska Institutet, Stockholm. He was presented by Professor David Ottoson, Member of the Nobel Committee for Physiology or Medicine. Due to poor health, Dr Sperry was not able to attend, so his Nobel Lecture was read by Professor David Ottoson.http://www.nobelprize.org/mediaplayer/index.php?id=1606

    1981
    G.J.C. Lokhorst. Nobelprijs geneeskunde-fysiologie 1981: Roger W. Sperry. Intermediair, 17 (50): 7-9, December 11, 1981. ISSN 0020-5605.

    Middenin ons hoofd bevindt zich de dikste zenuwbundel van ons lichaam, het corpus callosum. Wat is de functie van dit uit tweehonderd miljoen vezels bestaande orgaan, dat de twee helften van de grote hersenen met elkaar verbindt? De hersenen zijn het orgaan van het bewustzijn; maar we hebben slechts één bewustzijn, terwijl we twee hersenhelften hebben. Zorgt het corpus callosum ervoor dat wij één verenigd bewustzijn hebben?
    Niemand heeft meer licht op deze vragen geworpen dan de Amerikaanse hoogleraar in de psychobiologie naar wie dit jaar de helft van de Nobelprijs voor de geneeskunde gaat, Roger W. Sperry (68) (verbonden aan het California Institute of Technology in Pasadena). Sperry is vooral bekend geworden door zijn onderzoek aan mensen bij wie het corpus callosum is doorgesneden, waarbij hij onder meer de oude theorie dat de hersenhelften verschillend functioneren onomstotelijk kon bevestigen. Dit is echter slechts één van de prestaties waarvoor de Nobel Commissie hem had kunnen kiezen; Sperry is een veelzijdig onderzoeker die zelfs een nieuwe theorie over de relatie van hersenen en bewustzijn heeft opgesteld.

    Vroege onderzoekingen. Het wordt vaak gezegd dat grote wetenschapsmensen slechts één belangrijke prestatie verrichten, waarna de rest van hun carrière een anticlimax vormt. Als die uitspraak waar is, is Sperry een uitzondering: hij bracht tweemaal een ommekeer in het hersenonderzoek teweeg.

    Vroege onderzoekingen
    Sperry kwam pas na een omweg via de Engelse taal- en letterkunde en de psychologie in het hersenonderzoek terecht. Hij kreeg zijn eerste bekendheid in de jaren veertig. In die tijd dacht iedereen dat het zenuwstelsel volkomen `plastisch’ is: de verbindingen van zenuwcellen met elkaar zouden niet vastliggen, maar willekeurig tot stand komen, waarna consolidatie door de zintuiglijke informatie plaatsvindt. Sperry bewees dat dit allerminst het geval is. Hij sneed de oogzenuwen van padden, salamanders en vissen door; bij de mens zou deze operatie blindheid veroorzaken, maar bij deze dieren groeit de zenuw weer aan. Sperry kon aantonen dat de zenuw na de regeneratie weer naar precies dezelfde plaats toegroeide als waarop hij vroeger aansloot. Vervolgens probeerde hij dit met een obstakel te beletten, maar de zenuw liet zich hierdoor niet van de wijs brengen en groeide via iedere beschikbare omweg naar haar oude plaats toe. Alleen als dat volstrekt onmogelijk was groeide ze in een andere plaats vast. Maar als er dan weer een weg vrijkwam, liet ze onmiddellijk los en zocht haar `eigen’ plaats weer op. De zenuw `wist’ dus waar ze moest zijn en ging alleen naar de plaats met de juiste biochemische `smaak’ (chemo-affiniteits-hypothese). Van algehele plasticiteit was geen sprake; er lag veel meer vast dan men tot dan toe had verondersteld.
    Sperry heeft zijn grootste bekendheid evenwel aan zijn `split-brain’ onderzoek te danken. Hieronder verstaan we het onderzoek van mensen en dieren bij wie het corpus callosum (en nog enige minder belangrijke verbindingen tussen de hersenhelften) opzettelijk operatief doorgesneden is. Toen Sperry in 1953 samen met Myers aan dit onderzoek begon, was het al zeventig jaar in volle gang, maar had men nog vrijwel geen enkel effect van de toch zo ingrijpend lijkende operatie kunnen ontdekken. Omdat de operatie kennelijk toch volstrekt onschuldig was, had men haar ook bij een dertigtal lijders aan onbehandelbare epilepsie uitgevoerd om de uitbreiding van aanvallen naar de andere hersenhelft tegen te gaan. Ook bij hen vond men geen enkele stoornis. Men begon het corpus callosum dan ook te beschouwen als `het grootste en meest nutteloze’ orgaan in de hersenen. Zijn enige bewezen rol was epileptische aanvallen van de ene naar de andere kant over te dragen; maar zelfs dat was twijfelachtig, want men beschouwde de operatie als weinig succesvol.

    Sperry kon niet geloven dat een zo groot en zo strategisch gelegen orgaan als het corpus callosum zo overbodig was zal zijn collega’s dachten. Hij begon het split-brain onderzoek dan ook weer geheel opnieuw en kon al snel aantonen dat de operatie wel degelijk gevolgen heeft: bij split-brain katten en apen vindt er geen communicatie tussen de hersenhelften plaats. Men kan één hersenhelft bijvoorbeeld iets leren en de ander daar volkomen onkundig van laten blijven; ja, men kan de hersenhelften zelfs tegenstrijdige taken laten leren. Het is alsof de dieren twee paar hersenen zij aan zij in één kop hebben. Deze proeven van Sperry staan aan het begin van het moderne split-brain onderzoek. Weliswaar had men in 1924 in het laboratorium van Pavlov te Moskou al gevonden dat split-brain honden een geconditioneerde reflex in één lichaamshelft kunnen aanleren en had men rond de eeuwwisseling al klinische symptomen van corpus callosum uitval bij de mens gezien; maar deze vroege resultaten waren al lang weer vergeten.

    Sperry’s positieve bevindingen stonden in scherp contrast met het negatief uitgevallen onderzoek van split-brain mensen in de jaren veertig. Was dit onderzoek wel betrouwbaar? Het bleek van niet. In 1962 begon men de split-brain operatie opnieuw bij epileptici uit te voeren. Men had meer succes dan voorheen: niet alleen trad overdracht van de aanvallen naar de andere hersenhelft nauwelijks meer op, het optreden in de hersenhelft van ontstaan nam ook sterk af. De operatie is dan ook al weer meer dan dertig maal uitgevoerd, uitsluitend in de Verenigde Staten. De nieuwe serie patiënten werd, met Sperry en Gazzaniga als leidende onderzoekers, aan een uitgebreide batterij tests onderworpen; ze bleken hetzelfde beeld als Sperry’s proefdieren te vertonen.

  2. @gdv. Natuurlijk wil ik graag ingaan op uw vraag en een discussies met u voeren over leerstijlen. U stelt echter geen vraag, maar stuurt me een wetenschappelijke publicatie. Deze heb ik met genoegen gelezen. Er is echter wel een probleem. De tekst is in het Engels geschreven. Dit is voor mij geen probleem, maar ik ben bang dat veel van onze lezers afhaken bij een dergelijke tekst in wetenschappelijk Engels. Ik stel u daarom voor aan mij en de lezers de opvattingen voor te leggen die u aanspreken en waarover u in discussie wenst te gaan. Ik wacht uw reactie af,

  3. Interessant artikel over leerstijlen. Maar er blijft één prangende vraag: hoe zou je dit onderwerp dan als serialist uitleggen? Hoe zou de seriële denker dit aanpakken en voorgeschoteld willen zien?

  4. @nieuwsgierige docent. U stelt eigenlijk twee vragen. U schrijft: “hoe zou je dit onderwerp dan als serialist uitleggen? Hoe zou de seriële denker dit aanpakken en voorgeschoteld willen zien?. Als het over uitleggen gaat neemt u de positie in van een docent, maar als u zegt “voorgeschoteld willen zien” neemt u de positie in van de leerling.Ik zal in mijn reactie beide partijen proberen te bedienen.
    Een serialist leert van klein naar groot. Hij neemt kleine stappen, probeert deze te begrijpen, en gaat pas verder als hij het voorafgaande heeft gesnapt. De ideale manier vindt u in het vorige artikel over het expeditiemodel. Klik op: http://www.onderwijsvanmorgen.nl/expeditiemodel-voor-2e-en-3e-klassers/. Hier ziet u een leermodel dat de leerling lineair door de leerstof geleid aan de hand van de Kennisstroom: weten – begrijpen – oefenen – competentie. Met behulp van de bijgevoegde taxonomie van actiewoorden kunt u de leerling stap voor stap door de leerstof begeleiden. Als u op dezelfde manier uw toetsen inricht halen ze ook nog goede cijfers op voorwaarde van INZET. Let wel dat holisten liever eerst een beeld te krijgen van het geheel. Zij volgen liever een opgekeerde leerweg zoals dat gebeurt bij het ROC Koning Willem I College in Den Bosch of in probleemgestuurd onderwijs zoals aan de Erasmus Universiteit en de Universiteit Maastricht.

  5. Op de stelling “hoe duidelijker de leraar uitlegt, hoe minder de leerling begrijpt” is mijn reactie Hoe groter de woordenbrei hoe minder je opslaat door de extra
    details maw ipv 200 woorden 20 woorden gebruiken als dit mogelijk is (einde citaat).

  6. @mducarmo. Bedankt voor de reactie. Als ik de reactie even mag verklaren, zoals ik deze begrijp dan zegt u: Gebruik niet te veel woorden, maar breng de boodschap kort en bondig over. Dit is een interessante stellingname, omdat u exact het tegenovergestelde vraagt van de hiervoor genoemde “nieuwsgierige docent”. Deze vraagt uitleg op een serialistische manier, dus stap voor stap en u zegt eigenlijk dat u dan verdrinkt in details. U vraagt om een holistische manier. Bedenk dat ons taalvermogen in onze linkerhersenhelft zit, waar ook ons analytisch denken zit. Ik verwijs dan nog even naar meervoudige intelligentie van Howard Gardner. Zijn intelligenties worden ook wel eens leerstijlen genoemd. Klik op dit artikel: http://www.onderwijsvanmorgen.nl/mi-5-verbaal-linguistische-intelligentie Hier ziet u hoe wiskundedocent Erich Mommers laat zien dat talige meisjes wiskunde kunnen begrijpen als je ze op een talige manier benadert. De les: Pas je stijl aan aan de leerlingen die voor je zitten.

  7. Volgens mij zit de kracht van onderwijs op maat in de relatie die je hebt met je doelgroep. Dus voor mij is het geen vraag of je interesse moet hebben in de leerstijl van een leerling of student. Hoe meer we investeren in het onderwijs vanuit een persoonlijke benadering des te meer we kunnen realiseren.

  8. @Agents of change. Ik vind dit een prachtige holistische benadering. Ik ben het er dan ook van harte mee eens.
    Als je leren ziet als een proces van adaptatie aan je omgeving en je vermogen tot adaptatie als een mate van intelligentie dan heb je in een nutshell het individuele leren van de mensheid beschreven door de eeuwen heen. We hebben steeds opnieuw geleerd door ons aan te passen en daardoor te overleven.
    Je benadering is echter niet in een systeem te vangen. We hebben te maken met de huidige maatschappij, waarin we allemaal ons best doen te overleven in een economische recessie.
    Dit doen we als sociale dieren niet alleen. Al hebben we het moeilijk, er zullen altijd “agents of change” opstaan die ons al dan niet bewust de weg wijzen. Op micro-niveau kunnen we “an agent of change” zijn door een veilige leeromgeving te schepppen, waarin onze leerlingen aangedreven worden door positieve emoties. En die “beste agents of change” moeten uit ons zelf komen. Ik heb geprobeerd deze omgeving in een systeem te vatten. Dit systeem heeft wat mij betreft de vorm van een expeditie waarin wetenschap en praktijk de handen ineen slaan ten behoeve van volgende generaties.Ik zou zeggen: help mee!!

  9. @gdv Ik hoop dat we toch nog van u zullen horen. U gaf een link naar een interessante tekst. Ik begrijp de tekst wel, maar er zit veel vakjargon in. Leerstijlen vind ik op zich al interessant. Ze zijn zowel herkenbaar als divers. Neem bijvoorbeeld de leerstijlen van Gardner. Ze worden ook wel meervoudige intellligenties genoemd. Bij Garden gaat het volgens mij niet om de wijze waarop leerlingen kennis verwerken, maar eerder om de zintuigen die zij het liefst gebruiken om informatie binnen te halen. Dat is niet hetzelfde als verwerken. Dan vind ik de leerstjlen die door dr. Witteman worden genoemd logischer. Hij spreekt over informatieverwerking. Heel herkenbaar zijn de stap voor stap denkers en de grote lijnen denkers. Die zie je overal om je heen, Je ziet ze ook in de klas. Of de een denkt uit de rechterhersenhelft en de ander uit de linker, dat lijkt me minder belangrijk. Dat mogen hersenwetenschappers wat mij betreft uitzoeken. Ik ga er in ieder geval meer op letten en hoop wat met deze kennis te kunnen doen. We zijn nooit te oud om te leren.

  10. @John Plasman. Je hebt gelijk als je zegt dat de meervoudige intelligenties van Gardner ook wel leerstijlen worden genoemd. De vele dimensies van leerstijlen zijn zo verwarrend dat de vraag zich aandient of leerstijlen wel bestaan? Gelukkig zijn er nu breinwetenschappers die wat meer helderheid kunnen brengen. Wat Gardner betreft verkies ik de term perceptuele stijlen om als het gaat om de preferente keuze van zintuigen waarmee leerlingen kennis binnenhalen. Heeft u wel eens een leerling hardop zien leren uit een boek? Waarom zou hij dat doen? Lezen is toch genoeg? Nee, als hij leest gebruikt hij visuele input. Maar als hij hardop leest, komt daar auditieve input nog bij. Hij gebruikt dus twee kanalen.
    Ik citeer me zelf nog even: Het concept “Meervoudige Intelligenties” is van Howard Gardner. Deze was het oneens met de wijze waarop kinderen als dom of slim werden geëtiketteerd. Hij zag dat kinderen met een lagere score op een IQ-test op sommige terreinen beter uit de voeten konden dan kinderen met een hogere score. En toch bepaalde deze score de kansen die zij kregen in het onderwijs en later in de maatschappij. Hij kwam hiertegen in het geweer en formuleerde de theorie van de meervoudige intelligenties.

    In feite vroeg Howard Gardner zich reeds in 1983 af hoe PASSEND ONDERWIJS er uit zou moeten zien. Passend onderwijs is tegenwoordig een “hot item”. Er is zelfs een speciale Adviescommissie Passend Onderwijs. Ik citeer uit het dagblad Trouw van 20 juni 2009, waarin voorzitter Ursie Lambrechts zegt: “Maar de invoering gaat traag, signaleert de commissie. Dat komt mede omdat het een vernieuwing is van onderop, die het veld zelf moet invullen”. En: “Het duurt lang voor je alle schoolbesturen op één lijn hebt. Ze moeten elkaar leren kennen, elkaar vertrouwen. Nu zijn het vaak allemaal eilandjes bij elkaar”.

  11. @Gdv en John Plasman.Ongeveer een week geleden reageerde gdv met het volgende citaat: “We conclude therefore, that at present, there is no adequate evidence base to justify incorporating learning-styles assessments into general educational practice. ” zie psi.sagepub.com/content/9/3/105.abstract en hij vroeg mij op dit artikel te reageren.
    Ik heb toen meteen gereageerd met de opmerking dat het artikel in wetenschappelijk Engels is geschreven en dat het mij zinvoller leek als hij aan de hand van dit artikel vragen zou stellen. Helaas is dit niet gebeurd. John Plasman merkte dit ook op. Ik wil deze vraag niet laten hangen en zeg toe dat ik op korte termijn dit artikel aan de orde zal stellen. Ik vaag wel om enkele dagen geduld.

  12. @Gdv. Hier is mijn reactie. De schrijvers gaan ervan uit dat voorstanders van leerstijltesten leerstijl en doceerstijl cq instructionmethode met elkaar in harmonie willen brengen (meshing hypothesis. Hiermee bedoelen ze dat de docent zich in zijn instructie en in zijn opdrachten moet aanpassen aan de leerstijl van de leerling.
    Hier maken de auteurs een fundamentele fout. In het onderzoek dat ik deed voor mijn proefschrift kwam duidelijk naar voren dat leerstijlen hun sterke kanten hebben en hun zwakke kanten. Ook Prof. Vermunt zegt dit. Als je dus instructie geeft volgens het een bepaalde leerstijl, neem je ook de zwakke kanten van die leerstijl mee.
    Ik zal me beperken tot de dimensie serialisme – holisme. Door veel auteurs wordt deze dimensie genoemd als voorbeeld van linker- en rechterhersenhelftdenkers. Dit kan nooit helemaal waar zijn, omdat we een hersenbalk hebben die beide helften met elkaar verbindt. Als metafoor is het echter wel goed te gebruiken. Nobelprijswinnaar Sperry toonde al aan dat iedere helft zijn eigen bewustzijn heeft en dus ook op een bepaalde manier een eigen leven leidt en op een eigen manier informatie verwerkt. De schrijvers noemen overigens de dimensie serialisme-holisme niet.
    De auteurs beschrijven het onderzoek. Omdat dit zich richt op een foutieve aanname, is het niet interessant om hier al te zeer op in te gaan. Het toetsen op spontane leerstijlen heeft wel degelijk zin. De docent kan dan snel zien waar de leerling sterk in is en waar hij extra ondersteuning nodig heeft. Ik wil eindigen met een voorbeeld. Uit de leerstijlentest bleek dan Rob een serialist was en grote moeite had met een totaalbeeld van de stof te verkrijgen. Hij leerde dus alles uit zijn hoofd om het na de toets weer snel te vergeten. Tot zijn leraar zei: “Stuur me een tweet over de inhoud van het hoofdstuk”. Rob’s ogen gingen open. Ineens wist hij wat samenvatten was en hoe je dat kon leren. Als u toch nader op de publicatie wilt ingaan, dan zal ik erop reageren.

  13. @Henk Witteman Bij deze wil ik u laten weten dat ik gisteravond met een collega het rapport van de leerstijlentest besproken heb. Ik vond het spannend om dit te doen. Zij was blij met de rapportage. Naar aanleiding van de rapportage
    hebben we terug gekeken op twee van haar workshops collages maken waar ik
    bij was en dingen die me daarbij opgevallen waren. In beide workshops was er een deelnemer die moeite had met de opdracht waarschijnlijk omdat mijn collega niet stap voor stap had verteld wat de bedoeling van haar opdracht was. Dit waren mensen die een voorkeur voor een serialistische leerstijl hebben denken we nu. Mijn collega zelf heeft een holistische aanpak. Zij vroeg zich af of ze het in de toekomst anders aan moest gaan pakken.
    Ik heb haar geadviseerd dit niet te doen omdat zij goed met deze deelnemers omging en de beide workshops prima verliepen. De kreet: hoe meer de docent
    uitlegt, hoe moeilijker het voor de leerling wordt, heb ik gebruikt als ondersteuning van mijn advies. Het is wel plezierig dat ze in de toekomst beter kan begrijpen waarom mensen soms ‘lastig’ kunnen zijn tijdens haar
    workshops.

  14. Heb het artikel dat door gdv wordt genoemd gelezen, en vond het een heldere tekst. Wat eruit duidelijk wordt, is dat er ondanks alle onderzoek geen bewijs is gevonden dat onderwijs afgestemd op de veronderstelde leerstijl van de leeder meer leerrendement oplevert. Ze geven ook aan welke methode je het beste zou moeten gebruiken en welke uitkomsten dan een ondersteuning van de meshing hypothese zouden bieden.
    De reactie van Henk Witteman vind ik minder begrijpelijk. Hij zegt feitelijk dat je er helemaal niet vanuit moet gaan dat onderwijs afgestemd op een leerstijl meer rendement oplevert, want “je neemt dan ook de zwakke kant van die leerstijl mee”. Maar als dat zo is, wat heeft deze hele gedachtewisseling dan voor zin? En waarom benadrukt Witteman in zijn andere bijdragen hierboven dan zo nadrukkelijk het belang van verschillende didactieken bij bijvoorbeeld ‘serialisten’ en ‘holisten’. Beetje mentaal spookrijden als je het mij vraagt.

  15. @Diny. Het is belangrijk te weten dat een leerstijl ssterke en zwakke kanten heeft. Ik wil even wijzen op de bijdrage van Francine Hendriks, die net voor uw bijdrage staat. De collega van Francine heeft de test op leerstijlmonitor gemaakt en er is vastgesteld dat op de dimensie serialisme – holisme deze collega een holistische leerstijl heeft. Deze zal dus de neiging hebben te beginnen met de grote lijn. Zij werkt van GROOT naar KLEIN. Enkele van haar cursisten hebben echter een serialistische leerstijl, Of, om in de termen van Vermunt te blijven, zij verwerken de leerstof STAPSGEWIJS. Zij bouwen kennis op van KLEIN naar GROOT. Wij weten echter dat het hier om SPONTANE leerstijlen gaat die min of meer genetisch zijn vastgelegd. Ik geef docenten altijd de raad om iedereen zijn spontane leerstijl te gunnen, maar steeds te wijzen op de onvolkomenheden van een leerstijl. Als je leerlingen daarbij helpt, kunnen zij hun leerstijl aanpassen aan de taak. Ze hebben dan een GEÏNDUCEERDE leerstijl. In ieder geval moet een leraar zijn doceerstijl niet opdringen aan leerlingen met een andere leerstijl. Mijn stelling is altijd dat een team van leraren voor een klas altijd hun eigen doceerstijl (=leerstijlen) hanteert. De leerlingen leren dan van de confrontatie met verschillende leerstijlen. Het zou onverstandig zijn hen altijd mer één leerstijl te confronteren. Dan blijven ze eeuwig hangen in die ene spontane, maar gebrekkige leerstijl. Een serialistische leerling die er in slaagt zijn stijl steeds aan te passen en dus ook holistische strategieën leert gebruiken heeft dan een leerstijl die we VERSATILISTISCH noemen.
    Als u echter vindt dat het door GDV aangevoerde artikel ook andere zaken beweert, meld u dan, dan zal ik het zin voor in met u doornemen.

  16. Het is heel logisch. aan de ene kant leren we jonge kinderen dat ze allemaal anders, uniek en bijzonder zijn en mogen zijn. aan de andere kant leren we dat ze ondanks dat niet dusdanig in hun zijn gerespecteerd worden, door ze exact dezelfde stof aan te bieden op dezelfde manier.

  17. @Cornelletje. Je scrijft: Het is heel logisch. aan de ene kant leren we jonge kinderen dat ze allemaal anders, uniek en bijzonder zijn en mogen zijn. aan de andere kant leren we dat ze ondanks dat niet dusdanig in hun zijn gerespecteerd worden, door ze exact dezelfde stof aan te bieden op dezelfde manier”.
    Daar zit zeker wat in. In tegenstelling tot veel andere landen wordt er in Nederland weinig aandacht besteed aan leerstijlen. Docenten weten er vaak gewoon te weinig van. Ik hoop dat ze door deze artikelen zich meer in deze materie willen gaan verdiepen. Er zijn zeker leraren die de stof op verschillende manieren uitleggen. Maar het is een minderheid, een kleine minderheid zelfs zo is mijn ervaring. Daarom ben ik bezig ouders bij dit onderwerp te betrekken. Zo ontstaat er naar ik hoop druk op de scholen. Binnenkort ga ik scholen attenderen op de mogelijkheid hun kennis via studiedagen te vergroten.

  18. @Lezers. Een steevaste vraag die mij bij presentaties wordt gesteld is of er verschillen zijn tussen mannen en vrouwen in leerstijl. Er zijn structurele en functionele verschillen tussen de hersenen van mannen en vrouwen. Het corpus callosum (hersenbalk) en de voorste commissuur zijn bij vrouwen groter dan bij mannen. Dat kan er de oorzaak van zijn dat vrouwen emotioneel bewuster zijn -de emotionele rechterkant is beter verbonden met de analytische linkerkant. Ook kan emotie hierdoor sneller in denken en praten worden omgezet. Ik leg dat altijd zo uit: Als een vrouw emotioneel wordt (via rechts) steekt ze haar brede corpus callosum (hersenbalk) over en bereikt vliegensvlug haar taalcenta (links). Een stortvloed van woorden valt haar gesprekspartner ten deel. Als daarentegen een man emotioneel wordt vinden de emoties geen uitweg door zijn smalle hersenbalk en valt hij stil. Zijn vrouw: “En jij zegt ook nooit wat”.

  19. @Geert de Vries. Hartelijk dank voor deze serieuze reactie. Ik zal er even de tijd voor nemen om hier goed op in te gaan. Ondertussen roep ik lezers op mee te denken. Als ik “even” zeg, bedoel ik dat ik binnen twee dagen reageer. Henk

  20. @ Geert de Vries- Complimenten voor de fraaie blog en de heldere uiteenzetting. Ik raad alle lezers aan uw blog te bezoeken. Ik probeer een en ander voor de lezers samen te vatten.U bent HBO-docent en begint met een statement. U zoekt naar een abstractie van de werkelijkheid die het resultaat is van “hard bewijs”. Deze abstractie zet u in om de werkelijkheid, bijvoorbeeld de schoolpraktijk, te verbeteren. “Evidence-based” dus. Andere bewijsvoering schaart u onder geloofsleer of ziet u als het gevolg van buitenzintuiglijke waarneming, horoscopen, enzovoort.
    U erkent dat onbewezen oorzaak-gevolg denken ook positieve gevolgen kan hebben.Maar vaak overdrijven we en zijn er helemaal geen verbanden, of ze zijn er alleen in de hoofden van mensen.U geeft enkele voorbeelden.
    Maar wat heeft dit met onderwijskunde te maken?, vraagt u zich af.
    Veel, wat een wetenschap die ontwikkeling, leren en opleiden wil begrijpen, verklaren en beschrijven doet dit op basis van patronen. En een onderwijskundig concept of theorie kan niet op toevallige patronen gebaseerd zijn.Wetenschappelijke conclusies moeten vrij zijn van willekeur.
    Uvoert dan een artikel aan http://psi.sagepub.com/content/9/3/105.abstract waerin de schrijvers beweren dat leerstijlen niet bestaan.
    Dit artikel is al eerder door mij, door Diny en weer door mij (bij deze tekst) van commentaar voorzien. De door u aangevoerde auteurs hebben onderzoek gedaan naar niet nader genoemde dimensies van leerstijlen. Zij maten of leerlingen die een leerstijlentest hadden afgelegd en les kregen volgens diezelfde leerstijlen profiteerden van de wijze van instructie volgens diezelfde leerstijl, hetgeen moest blijken uit een toets. Natuurlijk niet, was mijn conclusie. Als je een serialistische leerling serialistisch lesgeeft en hij krijgt vervolgens holistische toetsvragen, dan zal het vaak misgaan. Immers, de meeste leerstijlen hebben positieve en negatieve kenmerken. Een compenserende instructie van de zijde van de docent kan dit remediëren Vervolgens laat u een filmpje zien van Nobelprijswinnaar Richard Fynman, een beta-topwetenschapper. http://www.youtube.com/watch?feature=player_embedded&v=HtMX_0jDsrw, Science and Pseudoscience, waarin deze fulmineert tegen de wijze van waarheidsvinding in de sociale wetenschappen. Een typisch geval van de tegenstelling tussen alpha denkers en beta denkers.
    Ik begrijp dat dit geen uitputtend commentaar is. Eigenlijk kan het van nu af pas echt interessant worden. Wie heeft commentaar? Doe mee! Hier kunnen we allemaal van leren!!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here